In zijn openingstoespraak voor het JURIX-congres, 13 december 1996 op de KUB, schetste professor Lubbers een nieuwe wereld vol globalisering. Een opvallend punt in deze wereld is dat ook bedrijven op zoek zijn naar nieuwe vormen van houvast, gegeven de toenemende kansen en bedreigingen in de internationale wereldorde. Bedrijven blijken steeds meer steun te zoeken bij maatschappelijke organisaties, die nieuwe normen en waarden definiëren voor de "globale" wereld, aldus de hoogleraar globalisering. Milieu en in toenemende mate ook mensenrechten zijn aandachtspunten voor het internationaal opererende bedrijfsleven.
Deze visie is interessant in verband met de onlangs opgezette vriendschapsband van de gemeente Tilburg met de Chinese gemeente Changzhou. Nu de provincie Noord-Brabant al langere tijd goede banden onderhoudt met de provincie Jiangsu, kon Tilburg niet achterblijven. In oktober 1996 ondertekenden de burgemeesters een vriendschapsverdrag, dat grotendeels economisch van aard is. Over de mensenrechtensituatie in China werd niet gerept. Brokx vindt dat een onderwerp dat Den Haag maar moet regelen; op locaal niveau telt alleen de economie.
De beperkte en wellicht wat kortzichtige opvatting van de Tilburgse burgervader was aanleiding voor de Stichting Tilburg Mondiaal een kritische brief naar de gemeenteraad te sturen. De mensenrechten worden in China dermate met voeten getreden dat de raad zich nog eens achter de oren zou moeten krabben vooraleer zij besluit om investeringen in China te stimuleren. Hoort het Tilburgse bedrijfsleven wel thuis in China?
In dit artikel geef ik de visie van Amnesty International op de mensenrechten in China en de
rol
van het bedrijfsleven daarbij. Ik schets eerst hoe de mensenrechten er voor staan. Als tegenwicht
zal ik ook het Chinese standpunt inzake mensenrechten beschrijven. Vervolgens ga ik in op de
rol van bedrijven bij mensenrechten, en ik zal aangeven wat volgens Amnesty bedrijven in acht
moeten nemen als zij besluiten relaties aan te gaan met China.
Aan de andere kant staat de positieve economische ontwikkeling. De groeicijfers van de laatste jaren zijn uiterst opmerkelijk, en de regering lijkt er nu zelfs in te slagen de inflatie in de hand te krijgen (de Volkskrant 2 januari 1997). De groei komt weliswaar niet ten goede aan de gehele bevolking (zo'n veertig procent gaat erop achteruit, volgens hetzelfde bericht), maar over het geheel genomen gaat de Chinese bevolking er goed op vooruit. De Chinese regering vindt dan ook dat eerst de economische rechten tot bloei moeten komen, dan volgen later de politieke rechten vanzelf. Het internationale bedrijfsleven, verrukt van de 1,2 miljard potentiële afnemers, sluit zich daar graag bij aan.
Het is echter
de vraag of de
economische liberalisatie wel leidt
tot vooruitgang in de mensenrechten.
Tot nu toe is het tegendeel het geval.
Elke dissidente activiteit wordt
systematisch de kop ingedrukt.
Politieke, religieuze en
vakbondsactivisten worden
stelselmatig opgepakt en voor lange
tijd achter de tralies gezet. Een greep
uit de laatste paar maanden: Wang
Dan werd in oktober 1996
veroordeeld tot 11 jaar (na een
uitermate oneerlijk proces waarin hij
zich nauwelijk kon verdedigen - het
vonnis werd vlak na de zitting al in
veelvoud uitgereikt!). Liu Xiabo, die opriep tot respect voor de Grondwet en het recht op
zelfbeschikking voor de Tibetanen, werd zonder proces tot drie jaar "heropvoeding door arbeid"
(werkkamp) veroordeeld; zijn mede-auteur, Wang Xizhe, vluchtte naar de Verenigde Staten. In
december 1996 kreeg Li Hai 9 jaar voor het "zich bemoeien met en verzamelen van
staatsgeheimen". Ngawang Choephel, een musicoloog die onderzoek deed in Tibet, werd in
december tot 18 jaar veroordeeld wegens spionage ("het verzamelen van informatie voor de
Dalai Lama met de hulp van een 'vreemde mogendheid'"). Hada en Tegexi, twee vreedzame
activisten in Binnen-Mongolië, kregen 15 en 10 jaar voor "separatisme". De belangrijkste
tegenstander van premier Li Peng, Wei Jingsheng, zit sinds 1980 vrijwel onafgebroken vast; hij
mag hopen dat hij in 2009 vrijkomt. Er is niemand meer over die publiekelijk actie durft te
ondernemen tegen de regering.
De etnische onderdrukking vindt vaak een weerslag in religieuze onderdrukking. Niet alleen
de
Boeddhisten in Tibet en Moslims, maar ook Katholieken en Protestanten worden vervolgd.
Hoewel de grondwet hen vrijheid van religie belooft, kunnen zij zich alleen aansluiten bij de
Chinese staatskerken. Wie buiten de staatskerk om religie wil beleven, bijvoorbeeld door de paus
te erkennen, loopt kans opgepakt te worden. Vele huiskerken, met geloofsgemeenschappen die
thuis bij elkaar komen, zijn de laatste jaren ontmanteld door de arrestatie van de voorganger en
de vaak korte maar systematische gevangenneming van kerkgangers. Evenzo zijn activisten die
een onafhankelijke vakbond willen oprichten slachtoffer van mensenrechtenschendingen. Er is
één officiële (staats)vakbond, die echter veelal niet de rechten van de
werknemers beschermt
maar juist die van de staatsbedrijven. Andere vakbonden worden niet getolereerd. De
belangrijkste vakbondsactivist, Han Dongfang, zag zich begin jaren negentig gedwongen te
vluchten naar Hongkong.
Een van de grootste punten van zorg van Amnesty in China betreft het gebruik van de doodstraf. Tenminste 69 delicten zijn strafbaar met de doodstraf, waaronder veel geweldloze delicten zoals corruptie, belastingontduiking en vervalsing. Met 2000 à 3000 executies jaarlijks neemt China ongeveer tweederde van het totale aantal executies ter wereld voor haar rekening. Voor 1996 zullen de cijfers nog schrikbarend veel hoger liggen - op 28 april startte een campagne onder het motto "Yanda" (hard toeslaan), met de bedoeling "een definitieve slag toe te brengen aan de misdaad". In twee maand tijd werden ruim 1000 mensen geëxecuteerd, velen in een speciale snelrechtprocedure die nauwelijks rechtsbescherming biedt aan verdachten. De campagne liep nog lang door, en hoewel Amnesty de volledige cijfers nog niet kent, zullen die in de vele duizenden lopen. Daarbij schat Amnesty dat het werkelijke aantal executies nog veel hoger ligt; veel gevallen worden simpelweg nooit bekend.
Er is evenwel een lichtpuntje. Begin 1996 kondigde China wetswijzigingen aan die een verbetering in de rechtsbescherming van verdachten kunnen betekenen. Met ingang van 1 januari 1997 zal de periode van detentie voordat een rechter moet oordelen over een zaak bekort worden, waarmee het risico van marteling in die periode enigszins wordt verkleind. De administratieve detentie van "onderdak en onderzoek" wordt opgeheven (maar de administratieve mogelijkheid van "heropvoeding door arbeid" blijft bestaan). Voorts worden enige bepalingen over contrarevolutionaire misdaden geschrapt uit het Wetboek van Strafrecht. Misschien wel de belangrijkste wijziging is het uitgangspunt dat een verdachte voor onschuldig moet worden gehouden tot het tegendeel bewezen is; tot nu toe lag de bewijslast bij de verdachte (aangeduid als de "dader") om te bewijzen dat hij het niet had gedaan.
Hopelijk vormen deze wetswijzigingen een begin van meer respect voor de mensenrechten in
China. Duidelijk is dat de overheid zich iets aantrekt van de kritiek op haar mensenrechtenbeleid.
Amnesty hoopt alleen dat de wetswijzigingen meer dan kosmetisch zullen zijn. Zo hoeft het
schrappen van het misdrijf "contrarevolutionaire activiteiten", waarmee tot nu toe veel
dissidenten werden veroordeeld tot lange gevangenisstraffen, niet veel uit te maken, als de
huidige tendens wordt voortgezet om dissidenten te veroordelen wegens het "lekken van
staatsgeheimen", een vage aanklacht waar in de praktijk allerlei activiteiten worden
ondergebracht, zoals het publiceren in Hongkongse kranten van algemeen bekende berichten die
circuleren in Beijingse overheidskringen.
Waar Amnesty vindt dat China zich moet houden aan de internationale mensenrechtenverdragen en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, vindt China dat eerst de economische en sociale rechten aan bod moeten komen. China is het niet eens met het standpunt dat mensenrechten, zowel de sociale als de politieke, universeel en ondeelbaar zijn. China wil er een eigen interpretatie van mensenrechten op na kunnen houden. De Chinese onderminister van Buitenlandse Zaken, Liu Huaqiu, verwoordde het op de VN-Mensenrechtenconferentie van 1993 aldus:
De rechten van de mens hebben geen universele geldigheid, maar verschillen per cultuur. Schendingen van mensenrechten mogen geen voorwerp zijn van internationale kritiek. Het recht van elk land om zijn eigen mensenrechtenbeleid te formuleren in het licht van de nationale omstandigheden, moet worden gerespecteerd en gegarandeerd. Zolang de elementaire behoeften van de mensen niet zijn gegarandeerd, behoort economische ontwikkeling prioriteit te krijgen. [1, p. 89]
De nieuwste slogan van China in haar internationale betrekkingen luidt: "We willen dialoog, geen confrontatie". Dat laatste wil Amnesty ook. Amnesty wil niet iets opleggen aan China, maar in een constructieve dialoog met China kijken hoe de mensenrechtensituatie kan worden verbeterd. Volgens Amnesty is dat geen inmenging in de nationale soevereiniteit: mensenrechten zijn universeel en ondeelbaar. Dat wil niet zeggen dat er geen culturele invulling mogelijk is, maar respect voor bepaalde fundamentele mensenrechten, zoals het recht op leven, op vrije meningsuiting en op lichamelijke integriteit, dient in elke cultuur te bestaan. Dat hoeft niet ten koste te gaan van economische ontwikkeling. Sterker nog: economische vooruitgang zonder politieke burgerrechten is op lange termijn onhoudbaar.
Zolang de kreet "We willen dialoog, geen confrontatie" geen nieuwe methode is van de
Chinese
overheid om kritiek op haar mensenrechtenbeleid te pareren, zal Amnesty daar graag gevolg aan
geven. Een eerste mogelijkheid deed zich voor bij de Interparlementaire Unie-vergadering in
Beijing in september 1996, de tweede keer dat Amnesty werd toegelaten tot China. De
Amnesty-delegatie sprak twee uur lang met twee Chinese parlementariërs, en hoewel er
natuurlijk verschil van mening bleef bestaan, werd er over en weer met interesse geluisterd en
beargumenteerd. Hopelijk krijgt het gesprek een vervolg in een constructieve dialoog tussen
Amnesty en de Chinese regering.
Krijgen bedrijven die iets in China willen doen te maken met mensenrechten? Ja, zeker. Vestigingen kunnen worden geconfronteerd met de arrestatie van iemand die zich inzet voor de rechten van de werknemers. Een Nederlander kwam terecht in een vestiging die bleek uit te kijken op de locale executieplaats. Maar veel algemener geldt dat het huidige klimaat in China een onzekere factor is: waar willekeur heerst en machtsuitoefening belangrijker is dan respect voor de wet, kunnen ook handelsafspraken worden ingewisseld tegen machtswillekeur. Als de overheid zich niet houdt aan internationale mensenrechtenverdragen die zij heeft ondertekend, kunnen ook locale overheden zich niet gebonden achten aan afspraken met bedrijven. Guanxi(relaties) zijn belangrijker dan wat op papier staat. In dat licht bezien heeft ook het bedrijfsleven baat bij een primaat van de wet boven willekeurige machtsuitoefening en dus bij meer respect voor mensenrechten.
Voor de duidelijkheid: Amnesty zegt niet dat bedrijven geen relaties moeten aangaan met
China -
dat is een afweging die elk bedrijf zelf moet maken. Ook roept Amnesty niet op tot boycots. Wat
Amnesty vraagt is een zorgvuldige afweging van het bedrijfsleven in haar relaties met China, en
het in acht nemen van in elk geval de volgende punten.
1. Informatie en bewustwording
Wie naar China gaat, moet in elk geval op de hoogte zijn van de situatie. Men kan niet doen
alsof
de mensenrechtensituatie niet bestaat. Een minimale eis voor bedrijven die overwegen relaties
aan te knopen met China is zich op de hoogte te stellen bij onafhankelijke bronnen van wat er in
China gebeurt. Rapporten van Amnesty International en andere mensenrechtenorganisaties, zoals
Human Rights Watch Asia, geven daarvoor voldoende informatie. Informatie die betrokken kan
en moet worden bij de uiteindelijke afweging om zich al dan niet in te laten met China.
2. Niet meewerken aan schendingen van de mensenrechten
Het mag een open deur zijn, maar het moet toch gezegd: bedrijven mogen niet meewerken
aan
schendingen van de mensenrechten. Dat betekent bijvoorbeeld het afzien van export van
materialen die in China kunnen worden gebruikt voor schending van mensenrechten - zoals de
export van stroomstokken voor vee, die in China veelvuldig worden gebruikt voor marteling. Het
betekent ook het zorgvuldig nagaan bij import of artikelen niet afkomstig zijn uit werkkampen.
Veel zogenaamde staatsbedrijven zijn front stores voor werkkampen, waar de
gedetineerden
onder erbarmelijke omstandigheden gedwongen zijn producten te maken. De Laogai Research
Foundation van Harry Wu heeft een actuele lijst met werkkampen in China beschikbaar (adres
P.O. Box 361375, Milpitas, CA 95036-1375, USA).
3. Meewerken aan een humaan en open werkklimaat
Het behartigen van rechten van werknemers is traditioneel het terrein van vakbonden. Nu die
verboden zijn in China, wordt dit een taak van werkgevers. Hieronder valt bijvoorbeeld het
waarborgen van humane arbeidsomstandigheden, maar ook een open werkklimaat. Het
stimuleren van vrijheid van meningsuiting binnen een bedrijf kan op lange termijn
een uitstraling
hebben naar de Chinese maatschappij. Ook het informeren van Chinese werknemers over
mensenrechten is een positieve zaak: zo zou een vestiging een leeshoek kunnen hebben met
Chineestalig materiaal over de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de Chinese
grondwet.
4. Doorgeven van informatie over schendingen van mensenrechten
Organisaties als Amnesty International zijn afhankelijk van informatie over schendingen van
de
mensenrechten. Omdat Amnesty niet wordt toegelaten in China om onderzoek te doen, is zij
afhankelijk van andere bronnen, zoals vluchtelingen, familie, NGO's, maar ook officiële
kanalen
als kranten en radio. Vanwege de enorme omvang van China blijft veel informatie echter
onbekend bij Amnesty. Bedrijfsvestigingen in China zouden hier een welkome taak kunnen
vervullen: het verzamelen en doorgeven aan Amnesty van openbare informatie over schendingen
van de mensenrechten. Zo kondigt elk gerechtsgebouw executies aan via posters op de muur.
Ook locale kranten berichten vaak over processen en vonnissen. Dergelijke informatie is van
levensbelang voor Amnesty - en voor de slachtoffers. Het bekend zijn van een naam van een
gevangene kan soms het verschil uitmaken tussen worden gemarteld of met rust gelaten.
5. Gedragscode
Een en ander kan een bedrijf goed tot uiting brengen in een gedragscode. Waar meer en meer bedrijven gedragscodes opstellen om zorgvuldig om te gaan met milieu-normen, zouden ook mensenrechten aan de orde moeten komen in gedragscodes. Bovenstaande punten zijn van belang voor een beter respect voor de mensenrechten, en een gedragscode die deze punten aansnijdt zal positieve werking hebben voor het bedrijf, zowel naar buiten toe (imago) als intern (werkklimaat). In de visie van staatssecretaris Van Dok:
"Je moet respect hebben voor de motieven van bedrijven om gezond te zijn. Die motieven kunnen anders zijn dan die van een politicus of die van Amnesty. Ik ben zo vrij om te kijken naar effect. Globalisering heeft negatieve effecten maar ook een sterke communicatieve kant. Bedrijven spelen een eigen rol met eigen motieven, niet als instrument, niet als marionet, niet als bode van een overheid. Als je je daarvan als bedrijf bewust bent kan het een sterk punt zijn en hoeft het niet als schaamlap te worden gezien. Integendeel. (...) Wanneer het misgaat wordt die openheid wel betracht maar vanuit de omgekeerde situatie. Ik pleit niet voor een open boek, het verbaast me alleen dat zaken waarop je trots mag zijn als bedrijf qua investering (zoals verbetering van milieuomstandigheden) niet naar buiten komen. Alleen in negatieve zin komt het naar buiten, niet bij het begin van een investering. Ik dring aan op grotere openheid, niet op meer pr." [2]
Oftewel, openheid over een bewuste, "gezonde" bedrijfsvoering komt het bedrijfsleven ten goede.
Amnesty zou het toejuichen als dergelijke overwegingen ook een rol spelen binnen de
vriendschapsband Tilburg-Changzhou. Amnesty hoopt dat individuele bedrijven hun
verantwoordelijkheid nemen ten aanzien van mensenrechten. Een resolutie van de gemeenteraad
om bij economische relaties de mensenrechten niet uit het oog te verliezen zou daarbij een
handje kunnen helpen.