Nieuwland, 11/1, februari 1997, pp. 11-15

Dit artikel mag niet worden verspreid of vermenigvuldigd zonder toestemming van de auteur. Het uitprinten van één copie voor persoonlijk gebruik is toegestaan. Citeren met bronvermelding.

Mensenrechten in China - het overdenken waard

© Bert-Jaap Koops, februari 1997

In zijn openingstoespraak voor het JURIX-congres, 13 december 1996 op de KUB, schetste professor Lubbers een nieuwe wereld vol globalisering. Een opvallend punt in deze wereld is dat ook bedrijven op zoek zijn naar nieuwe vormen van houvast, gegeven de toenemende kansen en bedreigingen in de internationale wereldorde. Bedrijven blijken steeds meer steun te zoeken bij maatschappelijke organisaties, die nieuwe normen en waarden definiëren voor de "globale" wereld, aldus de hoogleraar globalisering. Milieu en in toenemende mate ook mensenrechten zijn aandachtspunten voor het internationaal opererende bedrijfsleven.

Deze visie is interessant in verband met de onlangs opgezette vriendschapsband van de gemeente Tilburg met de Chinese gemeente Changzhou. Nu de provincie Noord-Brabant al langere tijd goede banden onderhoudt met de provincie Jiangsu, kon Tilburg niet achterblijven. In oktober 1996 ondertekenden de burgemeesters een vriendschapsverdrag, dat grotendeels economisch van aard is. Over de mensenrechtensituatie in China werd niet gerept. Brokx vindt dat een onderwerp dat Den Haag maar moet regelen; op locaal niveau telt alleen de economie.

De beperkte en wellicht wat kortzichtige opvatting van de Tilburgse burgervader was aanleiding voor de Stichting Tilburg Mondiaal een kritische brief naar de gemeenteraad te sturen. De mensenrechten worden in China dermate met voeten getreden dat de raad zich nog eens achter de oren zou moeten krabben vooraleer zij besluit om investeringen in China te stimuleren. Hoort het Tilburgse bedrijfsleven wel thuis in China?

In dit artikel geef ik de visie van Amnesty International op de mensenrechten in China en de rol van het bedrijfsleven daarbij. Ik schets eerst hoe de mensenrechten er voor staan. Als tegenwicht zal ik ook het Chinese standpunt inzake mensenrechten beschrijven. Vervolgens ga ik in op de rol van bedrijven bij mensenrechten, en ik zal aangeven wat volgens Amnesty bedrijven in acht moeten nemen als zij besluiten relaties aan te gaan met China.

Belabberd

De mensenrechtensituatie in China is, kortweg, belabberd. Rector Magnificus van de KUB De Klerk verklaarde in een interview in Univers van 2 mei 1996: "Twee jaar geleden zou ik een reis als deze niet hebben gemaakt. China was toen vooral het land waar mensenrechten werden geschonden (...) Maar nu viel het me makkelijk, Ritzen is er geweest, de gemeente Tilburg en de provincie onderhouden vriendschapsbanden. Dan worden de bezwaren kleiner." Hij wekt hiermee de indruk dat het beter gaat met de mensenrechten in China. Het tegendeel is echter waar. Het tegendeel is echter waar. De repressie in China neemt toe - iedereen die zijn mond open doet om een de regering onwelgevallige mening te verkondigen, loopt het risico opgepakt en gemarteld te worden, en al dan niet na een (oneerlijk) proces te worden veroordeeld tot drie jaar werkkamp of een langdurige gevangenisstraf.

Aan de andere kant staat de positieve economische ontwikkeling. De groeicijfers van de laatste jaren zijn uiterst opmerkelijk, en de regering lijkt er nu zelfs in te slagen de inflatie in de hand te krijgen (de Volkskrant 2 januari 1997). De groei komt weliswaar niet ten goede aan de gehele bevolking (zo'n veertig procent gaat erop achteruit, volgens hetzelfde bericht), maar over het geheel genomen gaat de Chinese bevolking er goed op vooruit. De Chinese regering vindt dan ook dat eerst de economische rechten tot bloei moeten komen, dan volgen later de politieke rechten vanzelf. Het internationale bedrijfsleven, verrukt van de 1,2 miljard potentiële afnemers, sluit zich daar graag bij aan.

Het is echter de vraag of de economische liberalisatie wel leidt tot vooruitgang in de mensenrechten. Tot nu toe is het tegendeel het geval. Elke dissidente activiteit wordt systematisch de kop ingedrukt. Politieke, religieuze en vakbondsactivisten worden stelselmatig opgepakt en voor lange tijd achter de tralies gezet. Een greep uit de laatste paar maanden: Wang Dan werd in oktober 1996 veroordeeld tot 11 jaar (na een uitermate oneerlijk proces waarin hij zich nauwelijk kon verdedigen - het vonnis werd vlak na de zitting al in veelvoud uitgereikt!). Liu Xiabo, die opriep tot respect voor de Grondwet en het recht op zelfbeschikking voor de Tibetanen, werd zonder proces tot drie jaar "heropvoeding door arbeid" (werkkamp) veroordeeld; zijn mede-auteur, Wang Xizhe, vluchtte naar de Verenigde Staten. In december 1996 kreeg Li Hai 9 jaar voor het "zich bemoeien met en verzamelen van staatsgeheimen". Ngawang Choephel, een musicoloog die onderzoek deed in Tibet, werd in december tot 18 jaar veroordeeld wegens spionage ("het verzamelen van informatie voor de Dalai Lama met de hulp van een 'vreemde mogendheid'"). Hada en Tegexi, twee vreedzame activisten in Binnen-Mongolië, kregen 15 en 10 jaar voor "separatisme". De belangrijkste tegenstander van premier Li Peng, Wei Jingsheng, zit sinds 1980 vrijwel onafgebroken vast; hij mag hopen dat hij in 2009 vrijkomt. Er is niemand meer over die publiekelijk actie durft te ondernemen tegen de regering.

Autonome regio's

In verre autonome regio's als Tibet en Xinjiang neemt de onderdrukking toe. Uit vrees voor separatisme voert China een politiek van harde repressie, die niet alleen politieke activiteiten maar ook de inheemse cultuur poogt uit te roeien. Talloze Chinezen worden verplaatst naar deze gebieden, opdat de autochtone bevolking een minderheid in eigen land wordt. De atheïstische communistische partij bemoeit zich zelfs vergaand met de religie: eind 1995 wees de regering een eigen Panchen Lama (na de Dalai Lama de hoogste geestelijk leider van Tibet) aan als alternatief voor Gedun Choekyi Nyima, die de Dalai Lama in mei 1995 als reïncarnatie van de Panchen Lama erkend had. Sindsdien houdt de Chinese regering het inmiddels zevenjarig jongetje met zijn ouders vast "om hen te beschermen tegen de Tibetanen". Monniken hebben geen keus de door de Dalai Lama gekozen reïncarnatie te volgen: ze worden gedwongen trouw te zweren aan de keus van Beijing; in de kloosters worden dagelijks politieke "opvoedingssessies" gehouden om hen te doordringen van de verraderlijkheid van de "Dalai kliek" die het "moederland wil splijten". Foto's van de Dalai Lama zijn inmiddels ook uit de kloosters verbannen. Ook in Xinjiang (Oost Turkestan), China's meest westelijke provincie met een voornamelijk Moslim-bevolking van Turks-etnische afkomst, vindt een soortgelijke onderdrukking plaats. De mensen die zich inzetten voor de onafhankelijkheid van Oost Turkestan zijn slachtoffer van harde repressie, in de vorm van werkkamp, gevangenisstraf of executie. Zelfs in Binnen Mongolië, met een minder sterke onafhankelijkheidsbeweging, neemt de repressie toe. Overigens spreekt Amnesty zich niet uit over de status van deze autonome gebieden; zij vindt alleen dat de bevolking het recht heeft haar mening te uiten en vreedzaam te demonstreren voor onafhankelijkheid.

De etnische onderdrukking vindt vaak een weerslag in religieuze onderdrukking. Niet alleen de Boeddhisten in Tibet en Moslims, maar ook Katholieken en Protestanten worden vervolgd. Hoewel de grondwet hen vrijheid van religie belooft, kunnen zij zich alleen aansluiten bij de Chinese staatskerken. Wie buiten de staatskerk om religie wil beleven, bijvoorbeeld door de paus te erkennen, loopt kans opgepakt te worden. Vele huiskerken, met geloofsgemeenschappen die thuis bij elkaar komen, zijn de laatste jaren ontmanteld door de arrestatie van de voorganger en de vaak korte maar systematische gevangenneming van kerkgangers. Evenzo zijn activisten die een onafhankelijke vakbond willen oprichten slachtoffer van mensenrechtenschendingen. Er is één officiële (staats)vakbond, die echter veelal niet de rechten van de werknemers beschermt maar juist die van de staatsbedrijven. Andere vakbonden worden niet getolereerd. De belangrijkste vakbondsactivist, Han Dongfang, zag zich begin jaren negentig gedwongen te vluchten naar Hongkong.

Processen en procedures

Veel van de processen tegen politieke, religieuze en vakbondsactivisten voldoen niet aan internationale normen voor een eerlijk proces. Men krijgt - met geluk - een advocaat een dag van tevoren te zien, zodat er nauwelijks gelegenheid is een verdediging voor te bereiden. De verdediging mag meestal geen getuigen oproepen, terwijl bekentenissen die onder marteling zijn afgedwongen worden gebruikt voor de bewijsvoering. Marteling is gemeengoed in veel gevangenissen en politiebureaus - als straf, intimidatie of om een bekentenis af te dwingen. Overigens zijn er ook velen die helemaal geen proces krijgen. De administratieve procedure van "onderdak en onderzoek" maakt het mogelijk mensen zonder aanklacht of proces voor langere tijd te detineren, om de zaak te "onderzoeken". Een andere administratieve procedure staat het de overheid toe om zonder rechtsgang mensen te veroordelen tot drie jaar "heropvoeding door arbeid" of "hervorming door arbeid". De beschrijvingen van Harry Wu over de beruchte laogai(werkkampen) laten weinig aan de verbeelding over: het zijn gruwelijke plaatsen waar vooral politieke gevangenen het zwaar te verduren hebben, met loodzware arbeid, intimidatie door mede-gedetineerden en continue heropvoedingspropaganda.

Een van de grootste punten van zorg van Amnesty in China betreft het gebruik van de doodstraf. Tenminste 69 delicten zijn strafbaar met de doodstraf, waaronder veel geweldloze delicten zoals corruptie, belastingontduiking en vervalsing. Met 2000 à 3000 executies jaarlijks neemt China ongeveer tweederde van het totale aantal executies ter wereld voor haar rekening. Voor 1996 zullen de cijfers nog schrikbarend veel hoger liggen - op 28 april startte een campagne onder het motto "Yanda" (hard toeslaan), met de bedoeling "een definitieve slag toe te brengen aan de misdaad". In twee maand tijd werden ruim 1000 mensen geëxecuteerd, velen in een speciale snelrechtprocedure die nauwelijks rechtsbescherming biedt aan verdachten. De campagne liep nog lang door, en hoewel Amnesty de volledige cijfers nog niet kent, zullen die in de vele duizenden lopen. Daarbij schat Amnesty dat het werkelijke aantal executies nog veel hoger ligt; veel gevallen worden simpelweg nooit bekend.

Er is evenwel een lichtpuntje. Begin 1996 kondigde China wetswijzigingen aan die een verbetering in de rechtsbescherming van verdachten kunnen betekenen. Met ingang van 1 januari 1997 zal de periode van detentie voordat een rechter moet oordelen over een zaak bekort worden, waarmee het risico van marteling in die periode enigszins wordt verkleind. De administratieve detentie van "onderdak en onderzoek" wordt opgeheven (maar de administratieve mogelijkheid van "heropvoeding door arbeid" blijft bestaan). Voorts worden enige bepalingen over contrarevolutionaire misdaden geschrapt uit het Wetboek van Strafrecht. Misschien wel de belangrijkste wijziging is het uitgangspunt dat een verdachte voor onschuldig moet worden gehouden tot het tegendeel bewezen is; tot nu toe lag de bewijslast bij de verdachte (aangeduid als de "dader") om te bewijzen dat hij het niet had gedaan.

Hopelijk vormen deze wetswijzigingen een begin van meer respect voor de mensenrechten in China. Duidelijk is dat de overheid zich iets aantrekt van de kritiek op haar mensenrechtenbeleid. Amnesty hoopt alleen dat de wetswijzigingen meer dan kosmetisch zullen zijn. Zo hoeft het schrappen van het misdrijf "contrarevolutionaire activiteiten", waarmee tot nu toe veel dissidenten werden veroordeeld tot lange gevangenisstraffen, niet veel uit te maken, als de huidige tendens wordt voortgezet om dissidenten te veroordelen wegens het "lekken van staatsgeheimen", een vage aanklacht waar in de praktijk allerlei activiteiten worden ondergebracht, zoals het publiceren in Hongkongse kranten van algemeen bekende berichten die circuleren in Beijingse overheidskringen.

Universeel of cultureel bepaald?

Amnesty meent dat China een eind moet maken aan de schendingen van de mensenrechten. Dat kan weliswaar niet van de ene op de andere dag, maar een geleidelijke verbetering is zeker mogelijk. De wetswijzigingen zouden daarin goed kunnen passen, maar maken geen einde aan de bestaande willekeur die leidt tot schendingen van de mensenrechten. In China is namelijk het respect voor de wet vaak minder belangrijk dan het respect voor machthebbers. Hierdoor ontstaat veel willekeur: wie macht heeft, gebruikt die vaak naar eigen inzicht, zonder zich te bekommeren om wat er in de wet staat. Het primaat van de macht speelt op alle niveaus: landelijk, provinciaal en locaal. Het gevolg is dat iedereen het risico loopt slachtoffer te worden van oneerlijke, willekeurige toepassing van (vage) regels. Een cultuuromslag is daarom nodig: machtuitoefenaars moeten leren zich te houden aan wat in wet en regels geschreven staat. Als alle overheidsdienaren zich zouden houden aan de Chinese grondwet en de internationale verdragen die China heeft ondertekend, zou er al veel gewonnen zijn. Het is tekenend dat China ten tijde van de Wereldvrouwenconferentie het uitdelen van Chineestalige folders probeerde te verhinderen: ze bevatten de Chinese wetsteksten die de vrouwenrechten beschermen.

Waar Amnesty vindt dat China zich moet houden aan de internationale mensenrechtenverdragen en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, vindt China dat eerst de economische en sociale rechten aan bod moeten komen. China is het niet eens met het standpunt dat mensenrechten, zowel de sociale als de politieke, universeel en ondeelbaar zijn. China wil er een eigen interpretatie van mensenrechten op na kunnen houden. De Chinese onderminister van Buitenlandse Zaken, Liu Huaqiu, verwoordde het op de VN-Mensenrechtenconferentie van 1993 aldus:

De rechten van de mens hebben geen universele geldigheid, maar verschillen per cultuur. Schendingen van mensenrechten mogen geen voorwerp zijn van internationale kritiek. Het recht van elk land om zijn eigen mensenrechtenbeleid te formuleren in het licht van de nationale omstandigheden, moet worden gerespecteerd en gegarandeerd. Zolang de elementaire behoeften van de mensen niet zijn gegarandeerd, behoort economische ontwikkeling prioriteit te krijgen. [1, p. 89]

De nieuwste slogan van China in haar internationale betrekkingen luidt: "We willen dialoog, geen confrontatie". Dat laatste wil Amnesty ook. Amnesty wil niet iets opleggen aan China, maar in een constructieve dialoog met China kijken hoe de mensenrechtensituatie kan worden verbeterd. Volgens Amnesty is dat geen inmenging in de nationale soevereiniteit: mensenrechten zijn universeel en ondeelbaar. Dat wil niet zeggen dat er geen culturele invulling mogelijk is, maar respect voor bepaalde fundamentele mensenrechten, zoals het recht op leven, op vrije meningsuiting en op lichamelijke integriteit, dient in elke cultuur te bestaan. Dat hoeft niet ten koste te gaan van economische ontwikkeling. Sterker nog: economische vooruitgang zonder politieke burgerrechten is op lange termijn onhoudbaar.

Zolang de kreet "We willen dialoog, geen confrontatie" geen nieuwe methode is van de Chinese overheid om kritiek op haar mensenrechtenbeleid te pareren, zal Amnesty daar graag gevolg aan geven. Een eerste mogelijkheid deed zich voor bij de Interparlementaire Unie-vergadering in Beijing in september 1996, de tweede keer dat Amnesty werd toegelaten tot China. De Amnesty-delegatie sprak twee uur lang met twee Chinese parlementariërs, en hoewel er natuurlijk verschil van mening bleef bestaan, werd er over en weer met interesse geluisterd en beargumenteerd. Hopelijk krijgt het gesprek een vervolg in een constructieve dialoog tussen Amnesty en de Chinese regering.

Mensenrechten - ook voor bedrijven

Wat is nu de rol van het bedrijfsleven bij dit alles? Zolang een bedrijf zich houdt aan de wetten van een land, is er niks aan de hand, en zijn mensenrechten een zaak van de nationale overheden, zo luidt een veelgehoorde opvatting. Zo makkelijk ligt dat toch niet. Waar nationale wetten in strijd zijn met internationaal recht, hebben bedrijven ook een verantwoordelijkheid zich te houden aan de normen die in internationale verdragen zijn neergelegd. Nog belangrijker: bedrijven worden zich in toenemende mate bewust van een eigen morele verantwoordelijkheid, zoals Lubbers aangeeft. Deze verantwoordelijkheid heeft deels te maken met steeds kritischer consumenten, die bij het aanschaffen van producten ook letten op de manier waarop de producent omgaat met milieu, kinderarbeid en sociale omstandigheden. Voor het imago van een bedrijf wordt het daarom steeds belangrijker om zich ook mensenrechten aan te trekken - zie het vertrek van Heineken uit Burma. Maar de verantwoordelijkheid van bedrijven heeft misschien ook iets intrinsieks: het beschermen van de rechten van werknemers en het uitdragen van basisnormen is een waarde in zichzelf, ook voor bedrijven - het blijft tenslotte gaan om mensen.

Krijgen bedrijven die iets in China willen doen te maken met mensenrechten? Ja, zeker. Vestigingen kunnen worden geconfronteerd met de arrestatie van iemand die zich inzet voor de rechten van de werknemers. Een Nederlander kwam terecht in een vestiging die bleek uit te kijken op de locale executieplaats. Maar veel algemener geldt dat het huidige klimaat in China een onzekere factor is: waar willekeur heerst en machtsuitoefening belangrijker is dan respect voor de wet, kunnen ook handelsafspraken worden ingewisseld tegen machtswillekeur. Als de overheid zich niet houdt aan internationale mensenrechtenverdragen die zij heeft ondertekend, kunnen ook locale overheden zich niet gebonden achten aan afspraken met bedrijven. Guanxi(relaties) zijn belangrijker dan wat op papier staat. In dat licht bezien heeft ook het bedrijfsleven baat bij een primaat van de wet boven willekeurige machtsuitoefening en dus bij meer respect voor mensenrechten.

Voor de duidelijkheid: Amnesty zegt niet dat bedrijven geen relaties moeten aangaan met China - dat is een afweging die elk bedrijf zelf moet maken. Ook roept Amnesty niet op tot boycots. Wat Amnesty vraagt is een zorgvuldige afweging van het bedrijfsleven in haar relaties met China, en het in acht nemen van in elk geval de volgende punten.

1. Informatie en bewustwording

Wie naar China gaat, moet in elk geval op de hoogte zijn van de situatie. Men kan niet doen alsof de mensenrechtensituatie niet bestaat. Een minimale eis voor bedrijven die overwegen relaties aan te knopen met China is zich op de hoogte te stellen bij onafhankelijke bronnen van wat er in China gebeurt. Rapporten van Amnesty International en andere mensenrechtenorganisaties, zoals Human Rights Watch Asia, geven daarvoor voldoende informatie. Informatie die betrokken kan en moet worden bij de uiteindelijke afweging om zich al dan niet in te laten met China.

2. Niet meewerken aan schendingen van de mensenrechten

Het mag een open deur zijn, maar het moet toch gezegd: bedrijven mogen niet meewerken aan schendingen van de mensenrechten. Dat betekent bijvoorbeeld het afzien van export van materialen die in China kunnen worden gebruikt voor schending van mensenrechten - zoals de export van stroomstokken voor vee, die in China veelvuldig worden gebruikt voor marteling. Het betekent ook het zorgvuldig nagaan bij import of artikelen niet afkomstig zijn uit werkkampen. Veel zogenaamde staatsbedrijven zijn front stores voor werkkampen, waar de gedetineerden onder erbarmelijke omstandigheden gedwongen zijn producten te maken. De Laogai Research Foundation van Harry Wu heeft een actuele lijst met werkkampen in China beschikbaar (adres P.O. Box 361375, Milpitas, CA 95036-1375, USA).

3. Meewerken aan een humaan en open werkklimaat

Het behartigen van rechten van werknemers is traditioneel het terrein van vakbonden. Nu die verboden zijn in China, wordt dit een taak van werkgevers. Hieronder valt bijvoorbeeld het waarborgen van humane arbeidsomstandigheden, maar ook een open werkklimaat. Het stimuleren van vrijheid van meningsuiting binnen een bedrijf kan op lange termijn een uitstraling hebben naar de Chinese maatschappij. Ook het informeren van Chinese werknemers over mensenrechten is een positieve zaak: zo zou een vestiging een leeshoek kunnen hebben met Chineestalig materiaal over de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de Chinese grondwet.

4. Doorgeven van informatie over schendingen van mensenrechten

Organisaties als Amnesty International zijn afhankelijk van informatie over schendingen van de mensenrechten. Omdat Amnesty niet wordt toegelaten in China om onderzoek te doen, is zij afhankelijk van andere bronnen, zoals vluchtelingen, familie, NGO's, maar ook officiële kanalen als kranten en radio. Vanwege de enorme omvang van China blijft veel informatie echter onbekend bij Amnesty. Bedrijfsvestigingen in China zouden hier een welkome taak kunnen vervullen: het verzamelen en doorgeven aan Amnesty van openbare informatie over schendingen van de mensenrechten. Zo kondigt elk gerechtsgebouw executies aan via posters op de muur. Ook locale kranten berichten vaak over processen en vonnissen. Dergelijke informatie is van levensbelang voor Amnesty - en voor de slachtoffers. Het bekend zijn van een naam van een gevangene kan soms het verschil uitmaken tussen worden gemarteld of met rust gelaten.

5. Gedragscode

Een en ander kan een bedrijf goed tot uiting brengen in een gedragscode. Waar meer en meer bedrijven gedragscodes opstellen om zorgvuldig om te gaan met milieu-normen, zouden ook mensenrechten aan de orde moeten komen in gedragscodes. Bovenstaande punten zijn van belang voor een beter respect voor de mensenrechten, en een gedragscode die deze punten aansnijdt zal positieve werking hebben voor het bedrijf, zowel naar buiten toe (imago) als intern (werkklimaat). In de visie van staatssecretaris Van Dok:

"Je moet respect hebben voor de motieven van bedrijven om gezond te zijn. Die motieven kunnen anders zijn dan die van een politicus of die van Amnesty. Ik ben zo vrij om te kijken naar effect. Globalisering heeft negatieve effecten maar ook een sterke communicatieve kant. Bedrijven spelen een eigen rol met eigen motieven, niet als instrument, niet als marionet, niet als bode van een overheid. Als je je daarvan als bedrijf bewust bent kan het een sterk punt zijn en hoeft het niet als schaamlap te worden gezien. Integendeel. (...) Wanneer het misgaat wordt die openheid wel betracht maar vanuit de omgekeerde situatie. Ik pleit niet voor een open boek, het verbaast me alleen dat zaken waarop je trots mag zijn als bedrijf qua investering (zoals verbetering van milieuomstandigheden) niet naar buiten komen. Alleen in negatieve zin komt het naar buiten, niet bij het begin van een investering. Ik dring aan op grotere openheid, niet op meer pr." [2]

Oftewel, openheid over een bewuste, "gezonde" bedrijfsvoering komt het bedrijfsleven ten goede.

Amnesty zou het toejuichen als dergelijke overwegingen ook een rol spelen binnen de vriendschapsband Tilburg-Changzhou. Amnesty hoopt dat individuele bedrijven hun verantwoordelijkheid nemen ten aanzien van mensenrechten. Een resolutie van de gemeenteraad om bij economische relaties de mensenrechten niet uit het oog te verliezen zou daarbij een handje kunnen helpen.

Bronnen, meer informatie

  1. Amnesty International, Het labyrint van onderdrukking. Mensenrechten in de Volksrepubliek China, Amsterdam, 1996 (terug naar tekst)
  2. "Debat bedrijfsethiek", Wordt Vervolgd - special Bedrijfsethiek: Ondernemer of moraalridder?, januari 1997, pp. 6-9 (terug naar tekst)


Auteur

Bert-Jaap Koops is AIO strafrecht aan de KUB. Hij is actief binnen Amnesty Tilburg en is China-coördinator voor Amnesty Nederland.