Bert-Jaap Koops homepage - publications

verschenen in Delikt en Delinkwent 1998 nr. 8, pp. 768-785

Dit artikel mag niet worden verspreid of vermenigvuldigd zonder toestemming van de auteur. Het uitprinten van één copie voor persoonlijk gebruik is toegestaan. Citeren met bronvermelding.

Garanties voor de betrouwbaarheid van kroongetuigen

© Elisabetta Manunza en Bert-Jaap Koops,(1) oktober 1998

1. Inleiding(2)

De kroongetuige lijkt geleidelijk in Nederland te worden geaccepteerd, eerst door de rechter en binnenkort mogelijk ook door de wetgever. De richtlijn "afspraken met criminelen" van maart 1997 en het wetsvoorstel over toezeggingen aan getuigen in strafzaken, dat in april 1998 door de ministerraad werd goedgekeurd maar nog niet naar de Tweede Kamer is verzonden, pogen de kroongetuige een plaats te geven in het Nederlandse strafproces. Bij de legitimering van dit instituut moet de wetgever tegemoetkomen aan de diverse bezwaren die tegen de kroongetuige in de juridische literatuur zijn geopperd. Eén van de belangrijkste bezwaren is de vermeende onbetrouwbaarheid van de kroongetuige, die immers zelf, als (mogelijke) misdadiger, voordeel heeft van zijn samenwerking met justitie en van zijn voor justitie welgevallige verklaringen.(3)Wellicht wordt dit (voor)oordeel nog versterkt door het kennelijke beeld van de kroongetuige als iemand die door het OM immuniteit wordt toegezegd, zonder rechterlijke toetsing. Deze elementen zijn echter niet inherent aan de figuur van de kroongetuige, zoals de Italiaanse regeling leert, en zoals de Nederlandse wetgever zich inmiddels ook heeft gerealiseerd.(4)

In dit artikel betogen wij dat de betrouwbaarheid van kroongetuigen voldoende kan worden gewaarborgd door een adequate wettelijke regeling. We kijken daarbij naar het Italiaanse strafproces, waarin de regeling van het instituut van de kroongetuige - in het Italiaans "degene die met justitie samenwerkt" (collaboratore della giustizia) genoemd(5) - goed toegesneden blijkt om de betrouwbaarheid van de kroongetuige te toetsen, zowel in de opsporingsfase als ter terechtzitting.

In Italië kan het Openbaar Ministerie bepalen of een getuige de status van kroongetuige wordt toegekend, maar de beantwoording van de vraag of en voor welke strafvermindering de kroongetuige in aanmerking komt bij door hem begane strafbare feiten, blijft de uitsluitende bevoegdheid van de zittingsrechter. De status van kroongetuige behelst dus geen toezegging tot strafvermindering maar is slechts relevant om hem in aanmerking te laten komen voor beschermingsmaatregelen.(6) Het gegeven dat de rechter niet aan het begin maar aan het einde van de samenwerking met de kroongetuige vaststelt of deze voor strafvermindering in aanmerking komt is een eerste waarborg voor de betrouwbaarheid van de kroongetuige. Er is immers ruim tijd om het betrouwbaarheidsgehalte van zijn verklaringen te toetsen. Daarnaast bevat het Italiaanse strafprocesrecht een serie mogelijkheden om de betrouwbaarheid van verklaringen van kroongetuigen te toetsen. De geboden waarborgen betreffen de toetsing van de betrouwbaarheid van de persoon van de kroongetuige en van zijn verklaringen in de voorbereidende fase, en de toetsing door de zittingsrechter door middel van de bewijswaardering van deze verklaringen.

Na een korte beschrijving van de wettelijke basis van de Italiaanse kroongetuige, zullen we bespreken hoe verklaringen van een kroongetuige, die hij in zijn hoedanigheid van medeverdachte aflegt, in verschillende stadia van het Italiaanse strafproces op hun betrouwbaarheid worden getoetst. Hiertoe bespreken we in het kort het op opsporing gerichte gesprek en de extra toetsingseis die artikel 192 lid 3 CPP (WvSv) voor de waardering van het bewijs stelt. Daarna zullen we de bewijswaardering door de zittingsrechter bespreken. Aansluitend geven we aan hoe de strafbaarstelling van leugenachtige verklaringen het sluitstuk vormt van de Italiaanse garanties voor de betrouwbaarheid van kroongetuigen. Tot slot bekijken we of de voorgestelde Nederlandse regeling vergelijkbare garanties biedt voor optredens van kroongetuigen in Nederland.

2. De wettelijke basis van de kroongetuige in Italië

Een belangrijk verschil tussen de Nederlandse en de Italiaanse strafvordering is dat het Italiaanse OM geen discretionaire bevoegdheid heeft inzake de vervolging van strafbare feiten. De Italiaanse Grondwet (art. 112) kent een strikt legaliteitsbeginsel als grondslag voor de vervolgingsbeslissing. Alleen op technische gronden kan een sepot plaatsvinden. Dit gegeven heeft, samen met de grondwettelijke regel dat de wet de basis vormt voor bevoegdheden, genoodzaakt tot een wettelijke regeling van het instrument van de kroongetuige.

Er bestaat in het Italiaanse recht geen algemene wet ten aanzien van kroongetuigen. Eind jaren zeventig en begin jaren tachtig werden beloningsregelingen (normativa premiale) geïntroduceerd voor getuigen in terrorisme- en ontvoeringszaken. Begin jaren negentig werd de regeling uitgebreid om ook verklaringen van kroongetuigen in georganiseerde drugs- en mafia-criminaliteit te kunnen gebruiken. Hiertoe werd de nieuwe Codice di Procedura Penale(CPP), die op 24 oktober 1989 in werking trad, door middel van wetsbesluiten (decreti leggi)(7)aangepast danwel aangevuld. Tegelijkertijd werden beschermingsregelingen (normativa per la protezione) voor kroongetuigen ingevoerd.

De wet geeft geen definitie van "degene die met justitie samenwerkt", maar deze kan worden afgeleid uit de belonings- en beschermingsregelingen voor kroongetuigen. De kroongetuige is een verdachte die met justitie samenwerkt en die voor de door hem gepleegde strafbare feiten wordt vervolgd en gestraft, waarbij de rechter bij de bepaling van de strafmaat rekening houdt met zijn samenwerking en op grond van de voor die strafbare feiten vigerende beloningsbepaling een lagere straf oplegt. Overigens kan ook de reeds veroordeelde die met justitie en/of politie samenwerkt in aanmerking komen voor het verkrijgen van penitentiaire gunsten.(8)

3. Het op opsporing gerichte gesprek

Veelal is enige uiting van de verdachte dat hij overweegt om met justitie samen te werken, het beginpunt van het proces dat kan leiden tot de toekenning van de status van kroongetuige. Om na te gaan of die uiting serieus is te nemen, behelst de wet(9) de mogelijkheid een zogenaamd colloquio a fini investigativi te voeren, een gesprek gericht op het verkrijgen van informatie over criminele activiteiten, aan de hand waarvan politie of justitie kan vaststellen in hoeverre bij de verdachte de wil en mogelijkheid bestaan om samen te werken met justitie.(10) Het spreekt voor zich dat deze gesprekken een gevoelig karakter hebben: een basis voor wederzijds vertrouwen bestaat nog nauwelijks. Er is sprake van een voorzichtig aftasten, waarbij de informatie slechts geleidelijk aan concreter wordt, en waarbij het gesprek langzaam op bepaalde strafbare feiten wordt toegespitst. Dit vereist bijzondere vaardigheden. Daarom mag noch de opsporingsambtenaar noch de officier van justitie deze gesprekken voeren, maar in beginsel alleen een functionaris van de daarmee belaste gespecialiseerde diensten.(11) Als de verdachte dat wenst, blijft de verkregen informatie intern; deze kan dan niet procesrechtelijk worden gebruikt.

De informatie die in de loop van de jaren is verzameld over de samenwerking met criminelen is van een enorme omvang. Een professionele verwerking van deze informatie heeft ervoor gezorgd dat tijdens de op opsporing gerichte gesprekken de politiële of justitiële functionarissen goed voorbereid en niet voor manipulatie vatbaar zijn.

Indien een op opsporing gericht gesprek in een samenwerking met justitie resulteert, en als gevolg hiervan de collaboratore aan ernstig en actueel gevaar wordt blootgesteld, wordt deze in een beschermingsprogramma opgenomen.(12) De wetenschap dat het beschermingsprogramma gestopt kan worden als de kroongetuige zich niet aan de afspraken houdt, is, gezien het ernstige levensgevaar dat de kroongetuige dan kan lopen, een extra waarborg voor zijn betrouwbaarheid.

Door de juridische hulpwetenschappen zijn er ondervragingstechnieken en methoden ontwikkeld om door middel van praktische en psychologische aanwijzingen(13) de betrouwbaarheid van de verdachte die met justitie wenst samen te werken tijdens het op opsporing gericht gesprek te toetsen (deze aanwijzingen zijn uiteraard ook relevant bij de latere verhoren van de kroongetuige door het OM en de rechter). Deze eerste fase is buitengewoon precair, omdat men moet voorkomen dat de verdachte na zijn eerste verhoren aan enige vorm van manipulatie blootstaat,(14) om samenzweerdelijk te kunnen overleggen, of om inhoudelijke informatie over het verloop van de zaak te kunnen verkrijgen. In deze fase mag de verdachte eigenlijk alleen contacten hebben met politie en justitie.

4. De intrinsieke en extrinsieke betrouwbaarheidstoetsing

Tijdens de terechtzitting toetst de rechter de betrouwbaarheid van de kroongetuigende verdachte. Daarvoor zijn in wet en rechtspraak eisen ontwikkeld, die in alle stadia een rol spelen, vanaf het op opsporing gerichte gesprek tot en met de terechtzitting. Politie en justitie anticiperen immers op het gebruik van de verklaringen als bewijs ter zitting, en zullen daarom in alle fasen van de opsporing de eisen volgen om de betrouwbaarheid van de kroongetuige te toetsen.

De door kroongetuigen afgelegde verklaringen kunnen worden onderverdeeld in bekentenissen, getuigenverklaringen (art. 194 CPP) en verklaringen van een medeverdachte (art 192 lid 3 en 4 CPP). Het Italiaanse Wetboek van Strafvordering geeft geen specifieke regels voor de toetsing van verklaringen van de kroongetuige in het algemeen. Zijn verklaringen worden daarom getoetst volgens algemene strafvorderlijke regels die voor iedere getuige gelden. Echter, als de kroongetuige medeverdachte is, geldt een aanvullende eis: zijn verklaringen moeten een extra toetsing doorstaan. In de praktijk blijken mafia-processen meestal met elkaar te zijn verbonden en verklaart een kroongetuige niet vaak in de positie van gewone getuige, maar in de hoedanigheid van medeverdachte. Juist met het oog op de problematiek rondom het gebruik van verklaringen van kroongetuigen als medeverdachte,(15) is aan artikel 192 CPP (over waardering van het bewijs) in 1989 een derde lid toegevoegd dat de evaluatie van dergelijke verklaringen met ander bewijsmateriaal eist teneinde hun betrouwbaarheid te toetsen.

Deze extra toetsing van verklaringen van kroongetuigen is continu onderwerp gebleven van wetenschappelijke discussie en heeft geleid tot uitvoerige rechtspraak van het Italiaanse Hof van Cassatie (Corte di Cassazione).(16) Er wordt daarbij een onderscheid gemaakt tussen een intrinsieke en een extrinsieke evaluatie van de verklaringen. Bij de intrinsieke evaluatie toetst men de betrouwbaarheid van de kroongetuige en van zijn verklaringen op zichzelf, bij de extrinsieke evaluatie wordt de inhoud van de verklaringen getoetst aan externe elementen. De intrinsieke betrouwbaarheid geldt als een voorwaarde om over te gaan tot een extrinsieke toetsing en komt globaal gezien neer op een waardering van de geloofwaardigheid van de medeverdachte/kroongetuige. Dit betekent dat als de getuige of zijn verklaringen op zich al niet betrouwbaar overkomen, er ook geen extrinsieke toetsing plaatsvindt.

De intrinsieke betrouwbaarheidstoetsing

De intrinsieke toets is niet speciaal wettelijk geregeld, maar heeft zich logischerwijs in het strafproces ontwikkeld en is door de rechtspraak uitgewerkt. De intrinsieke betrouwbaarheidstoetsing vindt plaats aan de hand van onder meer de volgende criteria.(17)

De wet regelt niet dat de psychische toestand van de kroongetuige moet worden onderzocht. Wel kan er, als de rechter dat nodig acht, op grond van art. 70 CPP (accertamenti sulla capacità) een deskundige worden aangesteld om de (psychische) bekwaamheid van de kroongetuige te toetsen.

De extrinsieke betrouwbaarheidstoetsing

Nadat de kroongetuige deze intrinsieke betrouwbaarheidstoetsting heeft doorstaan, vindt de extrinsieke betrouwbaarheidstoetsing plaats (riscontri estrinseci). Daarbij worden zijn verklaringen aan ander, "extrinsiek", bewijsmateriaal getoetst. In de rechtspraak is bepaald dat dit steunbewijs in principe van willekeurige aard mag zijn, omdat het niet in soort en kwaliteit wettelijk is geregeld.(25)Dit heeft het Hof van Cassatie ertoe gebracht in enkele uitspraken verklaringen van andere kroongetuigen als steunbewijs voor de waardering te accepteren, onder de voorwaarden dat het bestaan van onderlinge afspraken tussen kroongetuigen uitgesloten is en dat de verklaringen niet uit dezelfde informatiebron komen.(26) Als er vijandschap bestaat tussen de kroongetuige en de beschuldigde, moet de waardering van de verklaring van een maximale gestrengheid zijn.(27)

Logischerwijs hoeft het steunbewijs niet van dergelijke aard te zijn dat het op zichzelf voldoende is voor het bewijs in de hoofdzaak - anders zou de kroongetuigeverklaring niet nodig en artikel 192 lid 3 CPP overbodig zijn. Het is zelfs zo dat 'aanwijzingen' (indizi) onder het begrip 'steunbewijs' kunnen vallen, dat wil zeggen aanwijzingen dat een gebeurtenis "waarschijnlijk" (en niet "met zekerheid") heeft plaatsgevonden.(28) Ook indien een kroongetuige beschuldigende verklaringen aflegt tegen een bepaalde verdachte, kunnen de eigen verklaringen van die verdachte (bijvoorbeeld bekentenissen) vallen onder deze bewijselementen (elementi di prova) uit artikel 192 lid 3 CPP.(29)

In de rechtspraak van het Hof van Cassatie zijn enkele specifieke eisen gesteld aan dit steunbewijs:(30)

Onder deze voorwaarden is er sprake van steunbewijs als het in staat is de 'redelijke overtuiging' te versterken dat de kroongetuige niet heeft gelogen.(31) Bij zijn motivering van de bewijswaardering moet de rechter overigens duidelijk zijn over de toetsing van het steunbewijs; hij kan niet volstaan met een vermelding van de herkomst van het steunbewijs.(32)

Reikwijdte van het steunbewijs

Hoe zit het nu als de kroongetuige meerdere verklaringen aflegt en één daarvan de betrouwbaarheidstoets heeft doorstaan? Moeten de andere verklaringen dan ook nog op de betrouwbaarheid worden getoetst? In terrorisme-zaken is door het Hof van Cassatie het beginsel van de translatio uitgewerkt. Dat wil zeggen dat het steunbewijs dat de betrouwbaarheid van een van de verklaringen vaststelt, van zodanige aard kan zijn dat het de betrouwbaarheid van het hele verhaal - dus van alle verklaringen - van de kroongetuige kan garanderen. Het Hof van Cassatie heeft dit beginsel van de translatio verlaten in zaken van georganiseerde mafia-criminaliteit: in dit soort zaken moet elk autonoom gedeelte van een reeks verklaringen dus onderwerp van evaluatie zijn.(33)

Het is niet duidelijk of het mogelijk is een verdachte te veroordelen uitsluitend op basis van verklaringen van een of meer kroongetuigen. Het Hof van Cassatie is van oordeel dat een evaluatie van de betrouwbaarheid zodanig zou moeten zijn dat het in samenhang met de te toetsen kroongetuigenverklaring bewijs kan vormen dat ten grondslag ligt aan een veroordeling.(34)

5. De terechtzitting

Het Italiaanse strafprocesrecht kent een accusatoir proces, waarin de rechter tot een vonnis komt op grond van door partijen aangedragen bewijs (art. 526 CPP). De laatste jaren is het competitieve element van de Italiaanse strafrechtzitting echter gerelativeerd door een toenemend belang van een optimale kennisname van het te beoordelen strafbare feit. Het Italiaanse strafproces is dus gematigd accusatoir. Daarom hebben ook bij kroongetuigenverklaringen bepaalde garanties (horen door de verdediging, horen door de rechter) plaats moeten maken voor de noodzaak kennis te kunnen nemen van alle verklaringen van kroongetuigen - ook de verklaringen die zijn afgelegd voor de terechtzitting.(35)

De grondregel is dat de kroongetuigen in overeenstemming met het onmiddellijkheidsbeginsel tijdens de zitting worden gehoord (art. 526 CPP) (tenzij beide partijen daarvan afzien). Daarbij hebben ze (vanzelfsprekend) dezelfde rechten en plichten als verdachten in het algemeen; zij hebben dus het recht te zwijgen (al zal dat ten koste kunnen gaan van hun beloning en bescherming). Indien de kroongetuige al in een beschermingsprogramma is opgenomen, kan hij zijn dekkings- of nieuw verkregen identiteit geheimhouden (art. 147 bis disp. att. CPP). De kroongetuige kan in levende lijve worden gehoord, maar in veel gevallen zal het verhoor op afstand gebeuren via een telecommunicatieverbinding. Dat geeft de kroongetuige meer bescherming, en het is voor de procesvoering sneller, praktischer en efficiënter.(36)

De verdediging van de verdachte (maar ook het OM) kan de betrouwbaarheid van de ter zitting afgelegde verklaringen van een kroongetuige bestrijden, indien deze niet met eerdere verklaringen overeenkomen (art. 210 lid 5 jo. art. 503 lid 3 CPP). Alleen tijdens eerdere verhoren afgelegde en geverbaliseerde verklaringen waarbij de verdediging het recht heeft gehad aanwezig te zijn, hebben bewijskracht (art. 503 lid 3 CPP).

Uitzonderingen op het onmiddellijkheidsbeginsel

Er zijn diverse uitzonderingen aanvaard op het beginsel dat verklaringen van kroongetuigen ter terechtzitting worden afgelegd. Eén daarvan is het gebruik van de auditu-verklaringen van een kroongetuige, als deze niet ter terechtzitting kan worden gehoord.(37) Een andere uitzondering is de bewijsvaststellingsprocedure (art. 392 CPP, l'incidente probatorio), waarin de rechter voor het vooronderzoek(38) het bewijs vastlegt, anticiperend op de bewijsvergaring tijdens de terechtzitting. Deze procedure kan worden gevolgd als men het gevaar voorziet dat een kroongetuige zijn verklaringen niet op de terechtzitting zal kunnen herhalen, bijvoorbeeld als de kroongetuige aan bedreiging blootstaat. De kroongetuigenverklaringen kunnen alleen als bewijs worden gebruikt als de verdediging van de beschuldigde hierbij aanwezig is geweest (art. 403 CPP).

Een derde uitzondering betreft het gebruik van kroongetuigenverklaringen gedaan in een ander proces (ter terechtzitting of in een bewijsvaststellingsprocedure). Deze kunnen ook worden gebruikt in een andere zaak, behoudens het recht van partijen de kroongetuige alsnog te horen (art. 238 lid 5 CPP). Als de in een ander proces door de kroongetuige afgelegde verklaringen door onvoorziene omstandigheden niet herhaalbaar zijn, dan kunnen ze worden opgenomen in de processtukken (art. 238 lid 3 jo. 512 CPP). Tot slot kunnen ook eerder afgelegde verklaringen van een kroongetuige bij uitzondering worden gebruikt als de verklaring door onvoorzienbare feiten of omstandigheden niet kan worden herhaald. Omdat vroeger hierbij niet altijd de eis werd gesteld dat de verdediging van de verdachte bij de verklaring aanwezig is geweest(39) (wat in de doctrine op gespannen voet werd bevonden met art. 6 EVRM), is in 1997 art. 513 CPP gewijzigd.(40) De verklaringen dienen ter zitting te worden herhaald met het recht op tegenspraak door de verdediging; alleen als herhaling van de verklaring onmogelijk is vanwege feiten of omstandigheden die op het moment van afleggen van de verklaring niet voorzienbaar waren,(41)kan de verklaring ter terechtzitting worden gelezen. Als de kroongetuige weigert te antwoorden, kunnen zijn eerdere verklaringen alleen worden voorgelezen ter terechtzitting met instemming van beide partijen.

Al met al heeft de verdediging daarmee voldoende mogelijkheden om de betrouwbaarheid van de verklaringen ter terechtzitting aan te vechten. Eerder afgelegde verklaringen zijn alleen toelaatbaar als bewijs indien de verdediging aanwezig is geweest bij het afleggen ervan, of indien de verdediging toestemt in het gebruik als bewijs. Slechts bij onvoorzienbare omstandigheden (waarbij we vooral moeten denken aan ernstige ziekte of dood van de kroongetuige) kunnen eerdere verklaringen aan de processtukken worden toegevoegd, ook wanneer de verdediging daarbij niet aanwezig was.

In de praktijk blijkt overigens dat de rechter over het algemeen wel de kroongetuigen kan verhoren tijdens de terechtzitting; zeker tijdens grote mafia-processen, waarin nogal eens meerdere kroongetuigen ter zitting verklaren, kan de rechter de verklaringen goed vergelijken en toetsen. Uiteindelijk is het aan de rechter (en zijn vrije rechterlijke overtuiging) om die verklaringen met inachtneming van de eerder besproken waarderingsregels (art. 192 lid 3 CPP) ten grondslag te leggen aan een uitspraak.

6. De bestraffing van valse verklaringen

Het kan gebeuren dat een definitief vonnis achteraf (mede) gebaseerd blijkt op onjuiste kroongetuigenverklaringen. Artikel 630 CPP bepaalt dat een vonnis kan worden herzien als wordt aangetoond dat de veroordeling is uitgesproken als gevolg van onjuistheid in geverbaliseerde processtukken. De herziening hoeft niet per se tot een vrijspraak te leiden - de bewijsrol van de kroongetuigenverklaringen is immers per proces anders. Mocht het bewijs zonder de kroongetuigeverklaringen voldoende zijn voor een veroordeling, dan zal er in principe niets hoeven te veranderen; als de verklaringen wel invloed hebben gehad op de hoogte van de straf (door bijvoorbeeld verzwarende omstandigheden te bewijzen), kan de strafmaat worden herzien.

Als sluitstuk op de garanties voor de betrouwbaarheid van kroongetuigen is het belangrijk naast preventieve ook goede repressieve middelen ter beschikking te hebben tegen bewust leugenachtige verklaringen door kroongetuigen. Het wetsdecreet van 13 mei 1991, nr. 152 bepaalt in artikel 8 lid 3 dat in het geval van valse verklaringen de strafvermindering van de kroongetuige, verrekend in de strafmaat op grond van samenwerking met justitie, voor herziening in aanmerking komt. De procureur-generaal bij het gerechtshof van het parket waar de veroordeling is uitgesproken, kan dit verzoeken.

Omdat een kroongetuige als verdachte niet wettelijk verplicht is de waarheid te zeggen, komt hij niet in aanmerking voor meineed. Wel komt hij veelal in aanmerking voor laster (calunnia, art. 368 CP), als hij een persoon heeft beschuldigd van een feit waarvan hij weet dat die persoon het niet gedaan heeft, hetzij via een directe beschuldiging, hetzij via verklaringen die duidelijk naar beschuldiging van die persoon leiden. Afhankelijk van de ernst van het feit waarvan de kroongetuige een persoon beschuldigt danwel de straf die de beschuldigde heeft gekregen, staan voor laster straffen van minimaal twee jaar tot maximaal twintig jaar. Als de kroongetuige valse verklaringen aflegt die zijn te kwalificeren als laster, kan de straf daarvoor nog met een derde worden verhoogd, als blijkt dat de kroongetuige dit heeft gedaan om in aanmerking te komen voor strafvermindering op grond van samenwerking met justitie.(42) Dit artikel sluit praktisch uit dat een leugenachtig gebleken kroongetuige ongestraft blijft.(43)

7. De situatie in Nederland

Hoe is het nu gesteld met garanties voor de betrouwbaarheid van kroongetuigen in Nederland? De huidige richtlijn 'afspraken met criminelen' van 13 maart 1997(44) en het concept-wetsvoorstel 'toezeggingen aan getuigen in strafzaken'(45) geven weinig expliciete garanties. Ze zijn veeleer gericht op een transparante procedure voor de afspraak met de (kroon)getuige zelf, en geven weinig aanwijzingen voor het gebruik van de verklaringen in het proces tegen de beschuldigde verdachte. De enige bewijsrechtelijke bepaling betreft de eis dat de rechter een veroordeling niet kan baseren op grond van alleen kroongetuigenverklaringen.

De verklaring wordt in principe afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris; het wetsontwerp laat in het midden of de kroongetuige zijn verklaring ter terechtzitting moet herhalen. Overigens lijkt de voorgestelde strafbepaling voor kroongetuigen die, als getuige opgeroepen, niet voldoen aan hun verplichting te verklaren (voorgesteld art. 192 lid 2 Sr), wel te impliceren dat de kroongetuige zijn verklaring ter zitting zou moeten herhalen.

Verder blijft in het midden of de verdediging van de beschuldigde het recht heeft aanwezig te zijn bij het afleggen van de verklaringen. Aangezien de beschuldigde verdachte (pas) in kennis wordt gesteld van het totstandkomen van de afspraak "zodra het belang van het onderzoek dat toelaat" (voorgesteld art. 226j lid 3 Sv), kan het vóórkomen dat de beschuldigde verdachte pas in kennis wordt gesteld nadat de kroongetuige zijn verklaring heeft afgelegd. Als deze verklaring vervolgens als bewijs wordt aanvaard zonder dat de kroongetuige zijn verklaring ter zitting herhaalt, heeft de verdediging minder mogelijkheden om de betrouwbaarheid ervan aan te vechten.

Het lijkt er dus op dat de wetgever het ontwikkelen van garanties voor de betrouwbaarheid van kroongetuigen overlaat aan de rechter. Mogelijk is dat afdoende, nu de Hoge Raad recentelijk een extra motiveringsplicht heeft geformuleerd voor gebruik van een kroongetuigenverklaring als bewijs.(46) Belangrijker nog, het hof Amsterdam heeft in de Hakkelaarzaak veel uitgebreider kriteria genoemd voor de betrouwbaarheid van de in casu kroongetuigende Karman en Abbas.(47)Het hof oordeelt dat hun verklaringen nader onderzoek behoeven, omdat de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen nadelig kunnen zijn beïnvloed door hun kroongetuigenis, zeker nu zij medeverdachten zijn ter zake van ongeveer hetzelfde feitencomplex. Het hof is van oordeel dat:

  1. de verklaringen in vrijheid zijn afgelegd en
  2. afkomstig zijn van plegers van strafbare feiten;
  3. de verdediging ampel het recht heeft kunnen uitoefenen Karman en Abbas te ondervragen;
  4. de verklaringen zeer gedetailleerd zijn en concrete redenen van wetenschap bevatten, innerlijk consistent zijn (behoudens een de tenlastelegging niet rakende discrepantie en de intrekking van Abbas van zichzelf betreffende onwaarheden, waarmee rekening wordt gehouden), terwijl de verklaringen op elkaar aansluiten zonder dat de getuigen elkaar kennen, en
  5. steun vinden in verklaringen van anderen (hoewel rekening moet worden gehouden met het feit dat niet alle getuigen die de verdediging van belang achtte, konden worden gehoord), en bovendien
  6. op onderdelen worden bevestigd door ander bewijsmateriaal.
    Daar komt bij
  7. dat de verdachte niet met feitelijke gegevens de juistheid van de verklaringen heeft bestreden, en
  8. dat de indruk was dat beide getuigen open en eerlijk verklaarden.

Deze gegevens in overweging nemend, is het hof "met de bijzondere behoedzaamheid die hier geboden is - van oordeel dat de verkaringen van Karman en Abbas over de aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feiten betrouwbaar en geloofwaardig zijn" en derhalve bruikbaar bewijsmateriaal vormen. Wat overigens onverlet laat dat de motivering van het hof waarom in casu aan deze kriteria is voldaan, niet op alle punten even uitgebreid is.

De Europese Commissie voor de Rechten van de Mens heeft overigens ook in enkele zaken kroongetuigenverklaringen getoetst aan het EVRM. Voor de betrouwbaarheid en het recht op een eerlijk proces acht de Commissie in elk geval de omstandigheid van belang dat de verdediging de kans heeft om de kroongetuige te ondervragen, en dat de verklaring steun vindt in ander bewijsmateriaal.(48)

8. Conclusie

Door een uitgebreide jurisprudentie, een rijke doctrinale discussie en gerichte wetgeving kent de betrouwbaarheid van de kroongetuige in het Italiaanse strafproces voldoende garanties om het instituut vanuit dat oogpunt aanvaardbaar te achten. Deze garanties betreffen zowel procedurele waarborgen als materiële eisen aan de verklaringen, waarbij zowel de intrinsieke als de extrinsieke betrouwbaarheid worden getoetst. De aanwezigheid of toestemming van de verdediging is een belangrijke voorwaarde voor het gebruik van kroongetuigenverklaringen als bewijs.

Hoewel de voorgestelde Nederlandse kroongetuigenwetgeving niet ingaat op garanties voor de betrouwbaarheid van verklaringen van kroongetuigen, biedt de prille Nederlandse jurisprudentie aanknopingspunten voor dergelijke garanties. Voor de rechtszekerheid en rechtseenheid pleit echter dat de wetgever wel aandacht besteedt aan garanties voor de betrouwbaarheid van kroongetuigenverklaringen, waarbij aspecten uit de Italiaanse regeling als voorbeeld kunnen gelden. Volgens ons komen in elk geval twee garanties in aanmerking voor wettelijke explicitering: dat alleen verklaringen mogen worden gebruikt waar de verdediging het ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen,(49) en de eis dat de verklaring steun vindt in onafhankelijk steunbewijs.(50) Daarmee zou, met inachtneming van de ontluikende jurisprudentie, de kroongetuige ook in het Nederlandse strafproces voldoende betrouwbaar moeten zijn.(51)


Literatuur

Bargis 1994
Bargis, M., Le dichiarazioni di persone imputate in un procedimento connesso, Milano: Giuffrè, 1994

Bernasconi 1995
A. Bernasconi, La collaborazione processuale, Milano: Giuffrè, 1995

Bevere 1993
Antonio Bevere, La chiamata di correo nel nuovo processo penale, Milano: Giuffrè, 1993

Grevi 1994
Vittorio Grevi, Commentario Breve al nuovo Codice di Procedura Penale, 1994, CEDAM

Grevi 1995
Vittorio Grevi, Commentario Breve al nuovo Codice di Procedura Penale, compl. 1995, CEDAM

Ianelli & Rocchegiani 1995
F. Ianelli & M. Rocchegiani, La Legislazione dell'emergenza, La Direzione Investigativa Antimafia, Milano: Giuffrè, 1995

ISISC 1992
ISISC, Atti e documenti 7, Chiamata in correità e psicologia del pentitismo nel nuovo processo penale, a cura di L. de Cataldo Neuburger, Padova: CEDAM, 1992

Ludovici 1994
R.S. Ludovici, Regime differenziato di formazione della prova nei procedimenti di criminalità organizzata, Cass. pen.'94, opinioni e documenti

Magri 1993
P. Magri, 'Le dichiarazioni dei pentiti e la lotta alla criminalità', Aggiornamenti sociali, 9-10/1993, p. 625-641

Manunza 1994
E.R. Manunza, 'De bescherming van kroongetuigen in Italië', in P.J.P. Tak (red.), Bespiegelingen omtrent de kroongetuige, Monografieën Strafrecht 19, Arnhem: Gouda Quint, 1994, p. 37-64

Manunza & Tak 1996
E.R. Manunza & P.J.P. Tak, 'Tegen welke kroongetuige zet van Traa zich af?', DD 1996, p. 552-560

Myjer 1996
Egbert Myjer, 'De kroongetuige in het Koninkrijk', NJCM-Bulletin 1996, p. 459-464

Nappi 1996
Aniello Nappi, Guida al Codice di Procedura Penale, quinta edizione, Milano: Giuffrè, 1996

Natoli 1993
G. Natoli, I reati associativi con particolare riferimento alla criminalità organizzata di stampo mafioso. Relazione del seminario per gli uditori giudiziari nominati con D.M., Roma 10/3/1993

OM 1997
Openbaar Ministerie, Richtlijn afspraken met criminelen, 13 maart 1997, WWW <http://www.openbaarministerie.nl/publikat/geocrim/deals.htm>

Tak 1994
P.J.P. Tak, De kroongetuige en de georganiseerde misdaad, Monografieën Strafrecht 18, Arnhem: Gouda Quint, 1994

Viviana
A. Viviana, La chiamata di correo nella giurisprudenza, Milano: Giuffrè


Noten

1. Respectievelijk UD Europees recht en postdoc recht, bestuur en informatisering aan de Katholieke Universiteit Brabant.

2. Bij het schrijven van dit artikel hebben wij dankbaar gebruikt gemaakt van de afstudeerscriptie van Marius Duker, thans AIO strafrecht aan de VU. Ook danken wij prof. mr. P.J.P. Tak voor het commentaar dat wij van hem mochten ontvangen.

3. Vergelijk de kamervragen van Dittrich over het kopen van een getuigenverklaring, Kamervragen 1997-1998, nr. 1503.

4. Onder kroongetuige verstaan wij in dit artikel een verdachte of veroordeelde die in ruil voor een justitiële toezegging een verklaring aflegt in een proces tegen een (andere) verdachte. Wij gaan hier niet in op de discussies over het begrip "kroongetuige".

5. De term "spijtoptant" (pentito) wordt alleen gebruikt in de volksmond.

6. Zie Manunza 1994 en Manunza & Tak 1996.

7. Voor een vermelding van deze wetsbesluiten verwijzen wij naar het onderzoeksverslag Tak 1994.

8. Manunza & Tak 1996, p. 555.

9. Art. 16 D.L. 8 juni 1992, nr. 306, omgezet in wet van 7 augustus 1992, nr. 356. Artikel 16 bepaalt de invoering van een nieuw artikel 18-bis na art. 18 van de Wet 26 juli 1975, n. 354 (ordinamento penitenziario).

10. Ianelli & Rocchegiani 1995, p. 203-204.

11. De op opsporing gerichte gesprekken kunnen worden gevoerd door functionarissen van de centrale en interprovinciale inlichtingendiensten van de gerechtelijke politie of door personeel van de DIA, de Antimafia Recherchedienst. De leiding van deze diensten kan aan officieren van de gerechtelijke politie de opdracht geven een op opsporing gericht gesprek te voeren. Voorafgaande toestemming van de Minister van Justitie of van het Openbaar Ministerie is een voorwaarde voor het houden van het gesprek; deze dient in de daartoe bestemde registers te worden ingeschreven en moet aan de landelijk antimafia-officier van justitie worden medegedeeld. Daarnaast is ook de landelijke antimafia-officier van justitie bevoegd dit gesprek te voeren.

12. Volgens het wetsbesluit van 15 januari 1991, n. 8 en het wetsbesluit van 8 juni 1992, n. 306.

13. Zie onder andere ISISC 1992.

14. Dat kan ook manipulatie door politie of justitie zijn, bijvoorbeeld als een te nauwe band ontstaat tussen de verdachte en zijn beschermer (de zogenaamde captatio benevolentiae).

15. Vergelijk Natoli 1993, p. 21.

16. Cf. Nappi 1996, p. 157 en Corte di cass. 26/2/91, Basile en anderen, Cass. pen. '92, 681. Nappi is van mening dat lid 3 uitgaat van een vermoeden (vooronderstelling) van onbetrouwbaarheid van verklaringen van medeverdachten (verwijzend naar Corte di cass. 19/1/90, Cardaropoli, Arch. n. proc. pen. '91, 10306). De Corte di Cassazione heeft echter geoordeeld dat van een dergelijk vermoeden geen sprake is, omdat de evaluatie-elementen (het andere bewijsmateriaal) slechts de functie hebben om van de betreffende verklaringen de betrouwbaarheid te bevestigen; die betrouwbaarheid zou dus niet a priori worden ontkend, maar alleen onvoldoende zijn en volwaardig kunnen worden gemaakt door evaluatie-elementen.

17. Corte di cass. 18/2/1994, Goddi en anderen, 197856. Zie Grevi 1995, p. 95-96.

18. Corte di cass. 26/6/1990, Barbato, Cass. pen. '91, II, 312. Zie Bevere 1993, p. 101.

19. Corte di cass. 25/6/1990, Barbato, Cass. pen.'91, II, 314. Zie Bevere 1993, p. 104.

20. Corte di cass. 15/4/1991, Capece, Cass. pen.'92, 1334; 2/71991, Mongardi, Arch. n. proc. pen. '91, p. 467; 15/11/1989, Fanigliulo, Arch. n. proc. pen.'91, p. 128. Zie Bevere 1993, p. 105.

21. Corte di cass. 21/12/1994, Croci en anderen, Massimario Penale, 1635.

22. Corte di cass. 26/5/1980, Chiozzi, Cass. pen.'81, 1637. Zie Bevere 1993, p. 113.

23. Corte di cass. 29/10/1990, Di Giuseppe, Cass. pen.'91,II, 312. Zie Bevere 1993, p. 111.

24. Corte di cass. 11/7/1987, Benacchio, Cass. pen. '89, 261. Zie Bevere 1993, p. 73.

25. Corte di cass. 3/2/90, Belli, G. it.'90, II, 145; in dezelfde zin Corte di cass. 2/3/90, Achilli, Cass. pen.'90, II, 211; in dezelfde zin Natoli 1993, p. 33.

26. Corte di cass. 13/4/1992, Tomaselli, A. n. proc. pen. '92, 803; Corte di cass. 13/4/1992, Procopio, Cass. pen. '93. Zie Grevi 1994, p. 246 en Corte di cass. 18/2/94, Goddi en anderen, 197854. Zie Grevi 1995, p. 96.

27. Bij kroongetuigen zal er niet zelden sprake zijn van enige rancune ten aanzien van de beschuldigde persoon. Het bestaan van een vijandige relatie tussen kroongetuige en beschuldigde hoeft niet te betekenen dat de verklaringen onbetrouwbaar zijn; in dit geval heeft de rechter wel de taak na te gaan of die twist zodanig is dat ze de verklaringen van de kroongetuige onbetrouwbaar maakt (Corte di cass. 14/4/1995 Carbonaro, Massimario Penale, 2328, 201.293). Het Hof van Cassatie heeft in de Prudentino-zaak bepaald dat de waardering van verklaringen van een "maximale gestrengheid" moet zijn, indien door een duidelijke vijandschap tussen kroongetuige en beschuldigde de kroongetuigenverklaringen onbetrouwbaar zouden kunnen zijn. In dit geval dient een afweging te worden gemaakt tussen genoemd risico en het belang van het gebruik van die verklaringen (Corte di cass. 25/8/94, Massimario Penale 1992, 83, zie Grevi 1995, p. 97).

28. Viviana, p. 332.

29. Corte di cass. 23/3/94, Messina, A. n. proc. pen.'95, 152. Zie Grevi 1995, p. 97.

30. Corte di cass. 16/10/1990, Andraous, Cass. pen. '91, II, 317. Zie Grevi 1994, p. 251.

31. Corte di cass. 23/4/92, Sormani, Cass. pen.'93, 1430. Zie Grevi 1994, p. 251.

32. Corte di cass. 10/5/91, Di Bella en anderen, A.n. proc. pen.'92, 130.

33. Cf. Corte di cass. 25/10/94, Soldano, Arch. n. proc. pen. '95, 709. Zie Grevi 1995, p. 97, en Corte di cass. 18/11/94, Di Gregorio en anderen, Massimario Penale, 2034. In dit laatste arrest stelt het Hof dat als een medeverdachte meerdere verklaringen aflegt, de betrouwbaarheid van de verklarende ten aanzien van bepaalde verklaringen bevestigd kan worden op basis van extern bewijsmateriaal dat de andere verklaringen steunt. Dit geldt echter in het bijzonder als de wel geëvalueerde verklaringen feiten betreffen die zich later hebben voorgedaan dan de feiten waar het in de andere verklaringen over gaat.

34. Corte di cass. 1992, nr. 80; 30/1/1992, Il foro italiano, '93, II, c. 15. Zie Natoli 1993, p. 24. In dezelfde zin Magri 1993.

35. Nappi 1996, p. 6; dit is in overeenstemming met het - tevens voor het vooronderzoek geldende - beginsel dat er geen bewijs verloren mag gaan (il principio della non dispersione della prova), een beginsel dat verwoord is in een uitspraak van het Constitutionele Hof (1992, n. 255).

36. Zie de Wet van 7 januari 1998, nr. 11.

37. Sent. Corte Costituzionale del 31.12.1992, n. 24. Zie Ludovici 1994, p. 494.

38. De rechter voor het vooronderzoek is in 1989 in de plaats gekomen van de rechter-commissaris. Hij toetst en beslist bij vorderingen tot proceshandelingen of tot oplegging van maatregelen waarbij fundamentele rechten van de verdachte in het geding zijn.

39. In dezelfde zin Bernasconi 1995, p. 312.

40. Wet van 7 augustus 1997, nr. 267.

41. Dit kan alleen bij uitzondering; de jurisprudentie interpreteert de onvoorzienbaarheid strikt. Zelfs als de kroongetuige voor de terechtzitting overlijdt, kunnen zijn eerder verklaringen alleen worden gebruikt als zijn dood onvoorzienbaar was.

42. D.L. 13/5/1991, nr. 152 art. 8 lid 6.

43. Corte di cass. 26/1/1993, Toscano, Massimario Penale, n. 3040, 193.621; Corte di cass. 10/12/1991, De Denato, Massimario Penale, n. 8142, 191.392.

44. OM 1997.

45. Voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot verklaringen van getuigen die in ruil voor een toezegging van het openbaar ministerie zijn afgelegd (toezeggingen aan getuigen in strafzaken). Het concept werd in april 1998 goedgekeurd door de Ministerraad en ligt op het moment van schrijven van dit artikel bij de Raad van State.

46. HR 30 juni 1998, nr. 107189, zie Njb 31 juli 1998. De Hoge Raad vindt aanleiding om "ten aanzien van het gebruik voor het bewijs van [kroongetuigenverklaringen] een bijzondere motiveringsplicht in het leven te roepen en daarbij als beginsel voorop te stellen dat zodanig gebruik voor het bewijs niet toelaatbaar is, tenzij deze personen zijn gehoord door een rechter en de verdediging de gelegenheid heeft gehad van het ondervragingsrecht gebruik te maken." Een illustratie hiervan is Rb. Breda 15 mei 1997, NJ 1997, 587, waarin de controleerbaarheid van de kroongetuigenverklaringen werd aangetast omdat de kroongetuige ter zitting weigerde te verklaren; ook werd de verklaring onvoldoende bevestigd door ander bewijs, zodat de betrouwbaarheid ontoereikend werd geacht en de verklaringen niet als bewijs werden toegelaten. (Het hoger beroep in deze zaak, Hof 's-Hertogenbosch 27 februari 1998, NJ 1998, 518, gaat niet in op de betrouwbaarheid wegens niet-ontvankelijkheid van het OM.)

47. Hof Amsterdam, 30 januari 1998, arrestnummer 117/98, par. 7. Wij laten eerdere arresten over (vermeende) kroongetuigen (HR 15 februari 1994, NJ 1994, 322 m.nt. AHJS en HR 19 maart 1996, NJ 1997, 59 m.nt. Kn) buiten beschouwing, gezien de "a-typische" gevallen (in het eerste geval was de "kroongetuige" het slachtoffer, in het tweede werden de verklaringen afgelegd voordat het OM een toezegging deed). Knigge legt in zijn noot bij het tweede arrest wel de vinger op de zere plek: "De kernvraag bleef daardoor onbeantwoord. De kernvraag is mijns inziens of de verdediging door de beïnvloeding van een getuige die ter zitting gehoord moet worden, zodanig is belemmerd in haar mogelijkheden om de juistheid aan te vechten van de door die getuige in het vooronderzoek afgelegde verklaringen, dat het gebruik van die verklaringen met een eerlijk proces niet is te rijmen."

48. Myjer 1996.

49. Cfm. HR 30 juni 1998, nr. 107189. Vergelijk het advies van de Nederlandse Orde van Advocaten van 16 oktober 1997: "In dit kader verdient het aanbeveling op te nemen dat de criminele getuige door de rechter-commissaris wordt gehoord in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte." (verkrijgbaar op WWW <http://www.advocatenorde.nl/>)

50. Op dit laatste punt schiet het Hakkelaararrest mogelijk tekort, nu er slechts "op onderdelen" steunbewijs is voor de verklaringen.

51. Waarmee wij overigens niet willen zeggen dat de kroongetuige per se een wenselijke figuur is - bij de afweging of de kroongetuige past binnen ons strafproces is de betrouwbaarheid slechts één van vele relevante overwegingen.


© Elisabetta Manunza, Bert-Jaap Koops 1998. All rights reserved.
home | help | address | mail | links
research | crypto law survey | publications | personal | amnesty