Bert-Jaap Koops homepage - publications
verschenen in Computerrecht 1998/5, pp. 222-227
Dit artikel mag niet worden verspreid of vermenigvuldigd zonder toestemming van de auteur. Het afdrukken van één copie voor persoonlijk gebruik is toegestaan. Citeren met bronvermelding.
TTP-dossier
inhoud | rol | nut | zwartepiet | risico | belgië | definitie
© Bert-Jaap Koops en Huub de Jong,(1) - (2) oktober 1998
Wie iets versleutelt, maakt het onleesbaar. Alleen wie de juiste sleutel heeft, kan de
gegevens weer ontsleutelen. Dat maakt een versleuteld bestand voor derden onleesbaar,
maar ook voor de rechtmatige ontsleutelaar als hij zijn sleutel kwijt is. Er zijn (tenminste)
twee partijen die een rechtmatig belang hebben bij de mogelijkheid te ontsleutelen bij
ontstentenis van de decryptiesleutel: de overheid (voor de opsporing) en degene die
rechtmatig toegang heeft tot de gegevens (zoals de ontvanger, de werkgever of de curator).
In dit artikel bekijken wij onder welke voorwaarden de TTP-dienst "data recovery" aan
dit belang tegemoet kan komen, enerzijds voor de overheid en anderzijds voor gebruikers
van cryptografie. Hiermee willen we aangeven dat het om twee te onderscheiden zaken
gaat, die ten onrechte vaak (vooral door overheden) op één hoop worden
gegooid.
Na een uitleg van de techniek van data recovery, analyseren we de haken en ogen van data
recovery ten dienste van de overheid, waarbij we vooral kijken naar de effectiviteit van
dergelijke
systemen. Voorts bekijken we de voor- en nadelen van een data-recoverydienst voor gebruikers,
waarbij we ook aandacht besteden aan het aansprakelijkheidsvraagstuk. Aan data recovery ten
behoeve van de overheid, zo betogen wij, kleven (te) veel bezwaren, terwijl het in bepaalde
gevallen voor gebruikers wel een nuttige dienst kan zijn.
Cryptografie wordt algemeen genoemd als middel bij uitstek om aan de noodzaak van beveiliging tegemoet te komen.(4) Cryptografie is het geheel van systemen voor het versleutelen van gegevens, waardoor deze ontoegankelijk worden voor ongeautoriseerden. Het proces van vercijferen noemt men encryptie, het weer ontcijferen van de gegevens noemt men decryptie. Voor encryptie en decryptie gebruikt men een sleutel; bij asymmetrische cryptosystemen (zoals RSA) zijn dat verschillende sleutels: één openbare en één privésleutel, bij symmetrische cryptosystemen (zoals DES en IDEA) gebruikt men voor beide handelingen dezelfde, geheime sleutel.
Het grootschalige gebruik van cryptografie heeft ook een keerzijde. Bij gebruik van adequate cryptografie is het praktisch onmogelijk om zonder de juiste sleutel de gegevens begrijpelijk te maken. Door allerlei omstandigheden kan het voorkomen dat belanghebbenden niet over de juiste sleutel beschikken. De sleutel kan bijvoorbeeld vergeten of verloren zijn, of men heeft er nooit de beschikking over gehad. Het is bijvoorbeeld belangrijk voor de (organisatie van de) gebruiker dat deze nog bij de gegevens op zijn pc kan als de chipkaart waarmee hij deze beveiligd heeft (de drager van de sleutel) beschadigd of verloren is. Op de tweede plaats wil de overheid als handhaver van recht en staatsveiligheid inzage hebben in de informatie en communicatie van misdadigers - en de overheid beschikt veelal niet over de encryptiesleutels van boeven.
Het achterhalen van gegevens die door cryptografie beveiligd zijn, wordt "data recovery" genoemd.(5) De techniek van data recovery kan worden onderscheiden in "key escrow" en "key recovery". Onder key escrow verstaat men dat de gegevens ontcijferd kunnen worden doordat een organisatie de privésleutel ergens heeft opgeslagen. Dit opslaan kan fysiek gebeuren, bijvoorbeeld op schrift, maar het ligt meer voor de hand dat dit digitaal gebeurt. Een cd-rom is vanwege zijn eigenschappen uitermate geschikt om een sleutel langdurig te bewaren. De escrow kan plaatsvinden binnen de organisatie zelf ("self-escrow" of "key backup") of extern, bij een data-recoveryorganisatie (DRO, die in dit geval Key Escrow Agent heet).
Bij key recovery wordt de privésleutel niet bij een data-recoveryorganisatie opgeslagen. Het achterhalen van de gegevens is mogelijk doordat bij elk bericht een pakketje wordt meegestuurd, waaruit de DRO de sessiesleutel kan afleiden. (De sessiesleutel is een symmetrische sleutel die één keer wordt gebruikt voor een berichtenuitwisseling of een telefoongesprek; na afloop van de sessie wordt hij weggegooid.) Key recovery wordt tegenwoordig ook wel "key encapsulation" genoemd. Een groot verschil met key escrow is dat bij key recovery geen privésleutel toegankelijk is; alleen sessiesleutels zijn achterhaalbaar.
De dienst kan door (de organisatie van) de gebruiker zelf verzorgd worden, maar het is ook denkbaar dat hij dit uitbesteedt aan een vertrouwenspersoon of -organisatie - denk aan een notaris, de Kamer van Koophandel, een cryptoproducent, een bedrijfsorganisatie of het Computer Uitwijk Centrum. Het inschakelen van een externe partij voor vertrouwelijke diensten als data recovery is nog geen uitgemaakte zaak. De mogelijkheid dat derde partijen bij vertrouwelijke informatie kunnen, houdt immers een risico in. Bovendien zijn veel bedrijven huiverig voor data recovery, omdat zij nog niet weten onder welke voorwaarden de overheid inzage zal eisen bij de DRO.
De discussie die momenteel in bepaalde kringen in Nederland en de rest van de wereld
gaande is,
draait om de vraag of data recovery slechts een dienst voor het bedrijfsleven moet worden, of dat
het ingebouwd moet worden in de informatie-infrastructuur ten behoeve van de overheid. De
aanhangers van data recovery als dienst voor gebruikers vinden dat zij van geval tot geval
moeten
kunnen beslissen of zij derden toegang willen geven tot gevoelige gegevens; data recovery moet
in elk geval vrijwillig zijn. De aanhangers van data recovery als infrastructuur voor de overheid
willen data recovery min of meer verplicht invoeren bij het gebruik van cryptografie. In diverse
landen behoort de overheid tot deze laatste groep. In de volgende paragrafen bespreken we of en
onder welke voorwaarden data recovery aan deze uiteenlopende belangen tegemoet kan komen.
Om deze reden kijken diverse overheden naar data-recoverydiensten als mogelijkheid om toegang tot cryptografische sleutels te waarborgen, zodat ook bij cryptogebruik door misdadigers de overheid de inhoud kan inzien.(9) In de discussies wordt daarbij voornamelijk gekeken naar het aftappen van telecommunicatie, hoewel ook het inzien van opgeslagen gegevens van belang is voor de opsporing (vooral bij bedrijfscriminaliteit).
Zo lanceerde de Verenigde Staten in 1993 de Clipperchip, een chip die telefoonverkeer versleutelt met een sleutel die in twee delen bij de overheid ligt gedeponeerd. Clipper werd daarmee het prototype van een "key escrow"-systeem: een cryptosysteem met ingebouwde sleutelopslag bij een derde partij. Clipper sloeg, om voor de hand liggende redenen, niet aan bij het Amerikaanse publiek (en trouwens ook niet bij overheidsdiensten zelf), en vorig jaar gaf de regering definitief de poging op om mensen vrijwillig aan de Clipperchip te krijgen. Dat laat onverlet dat de VS nog steeds een beleid voorstaat dat systemen met overheidstoegang tot cryptosleutels stimuleert. Ook het Verenigd Koninkrijk staat een data-recoverybeleid voor, voornamelijk gebaseerd op een door de Royal Holloway-groep ontwikkeld, nogal rigide, systeem van sleuteldeponering, dat in theorie internationaal toepasbaar is.(10) En Frankrijk maakte in 1996 op zijn verbod op sterke cryptografie een uitzondering voor gebruikers die hun sleutel bij een bevoegde sleutelbeheerder deponeren.(11)
Ook binnen EU-verband circuleerden lange tijd ideeën om key escrow of key recovery te bevorderen. Zo suggereerde het eerste voorstel voor 'European Trusted Services' (ETS) dat gebruikers hun sleutel zouden deponeren bij een DRO.(12)Recentelijk is de Europese Commissie afgestapt van het idee dat data recovery dé oplossing voor opsporingsproblemen zou zijn; in Ensuring security and trust in electronic communication noemt de Europese Commissie diverse risico's van data recovery-systemen.(13) Ook de Nederlandse overheid, die in 1994 nog overwoog om cryptografie aan een streng vergunningstelsel te verbinden, is inmiddels afgestapt van verplichte ingebouwde toegang tot cryptosleutels. Toch vindt de eindrapportage van het Nationaal TTP-project systemen voor bewaring van sleutels nog steeds aantrekkelijk: bewaring van privésleutels is geen randvoorwaarde, maar wel een aanbeveling voor TTP's die confidentialiteitsdiensten aanbieden.(14)
De problemen rond data recovery voor overheidstoegang komen steeds meer naar voren. Een bijeenkomst van experts, georganiseerd door de Europese Commissie in Kopenhagen in april 1998, concludeerde dat de technologie nog niet voldoende rijp was voor toepassing op grote schaal.(15) Een groep van crypto-experts concludeerde eerder al dat de implementatie van een crypto-infrastructuur met ingebouwde overheidstoegang grote risico's voor de informatiebeveiliging met zich meebrengt, zeer kostbaar en enorm complex is - iets waartoe de huidige cryptografie lang niet is toegerust.(16) Ook de weinige pilotprojecten die data-recoverysystemen met overheidstoegang implementeren lijken vooralsnog weinig resultaat op te leveren.(17)
Daar komen nog twee problemen bij. Ten eerste het feit dat systemen met ingebouwde overheidstoegang moeilijk toepasbaar zijn in een internationale context. De OESO-richtlijnen voor cryptografiebeleid sluiten data-recoverywetgeving weliswaar niet uit, maar stimuleren deze bepaald ook niet.(18) Diverse landen zien niets in dit soort systemen; zo verwierp onlangs een enquêtecommissie van de Duitse Bundestag de ontwikkeling en het gebruik van een wereldwijde key-recovery-infrastructuur.(19)
Ook is internationale rechtshulp bij toegang tot sleutels moeilijk voorstelbaar, wellicht op enkele bilaterale verdragen na. Alleen al het gevaar van bedrijfsspionage door buitenlandse overheden lijkt daarvoor een afdoende belemmering (zo zal een Duits bedrijf geen cryptosysteem gebruiken als het weet dat de Amerikaanse overheid daardoor toegang tot zijn gegevens heeft).(20)
Het belangrijkste bezwaar tegen ingebouwde overheidstoegang tot sleutels is echter de effectiviteit, of liever het gebrek daaraan. Dergelijke systemen zijn immers bedoeld om boeven te vangen, en een beetje boef zal geen cryptosysteem gebruiken als hij weet dat de overheid daarmee zijn sleutel kan achterhalen. Er zijn genoeg sterke cryptosystemen zonder overheidstoegang op de markt, bijvoorbeeld het via Internet wijdverspreide Pretty Good Privacy, waartoe criminelen makkelijk toegang hebben. Een verbod hierop zou zinloos zijn, want niet te handhaven. Het zou overigens ook in strijd zijn met de OESO-richtlijnen. De enige situatie waarin een boef een overheidsvriendelijk cryptosysteem zou gebruiken is bij ingebouwde cryptosystemen, bijvoorbeeld in de telecominfrastructuur, in besturingsprogramma's en in emailsoftware. Waar het gaat om telecommunicatie, zijn telecomaanbieders al verplicht om, als zij versleuteling inbouwen in hun netwerk of dienst, dit voor de overheid te ontsleutelen(21) (wat onverlet laat dat eindgebruikers daarnaast zelf cryptografie kunnen gebruiken). Het feit dat cryptografie die is ingebouwd in de telecominfrastructuur transparant voor de overheid moet zijn, betekent overigens wel dat het opsporingsprobleem minder groot is dan wel wordt voorgesteld: de communicatie van georganiseerde boeven met "de bovenwereld" zal hierdoor gewoon af te luisteren blijven.
Bij programma's die gebruikt worden voor opslag van gegevens zou een verplichte ingebouwde overheidstoegang zinvol kunnen zijn. Wel geldt daarbij het bezwaar dat de meeste criminelen zich bij het opslaan van compromitterende gegevens zullen realiseren dat overheidstoegang ingebouwd zit, en ze dus meestal andere of aanvullende cryptografie zullen gebruiken. Hoewel, sommige criminelen zijn lui en gebruiken alleen voor het grijpen liggende faciliteiten.(22) Als overheidstoegang is ingebouwd in standaardprogramma's voor de pc, zal het cryptoprobleem voor de overheid wat dat betreft minder groot zijn. Er is echter wel een groot bezwaar tegen deze oplossing: dergelijke systemen creëren overhead voor legitieme gebruikers, en leveren onvermijdelijk extra risico's op. Data-recoverysystemen zijn immers inherent kwetsbaarder dan gewone systemen: als de overheid erbij kan, dan kunnen anderen dat ook, al was het maar door een data-recoveryfunctionaris om te kopen. Vooralsnog zijn er geen voldoende betrouwbare data-recoverysystemen op de markt, en daarom is het inbouwen van overheidstoegang in de informatie-infrastructuur (voorlopig) niet aan de orde. Wel kan de overheid natuurlijk onderzoek stimuleren naar voor iedereen betrouwbare data-recoverysystemen.
De genoemde bezwaren leiden tot de conclusie dat data recovery-systemen (in elk geval voorlopig) geen oplossing kunnen bieden voor de cryptoproblemen van de overheid. Zij zal dus andere manieren moeten vinden om het achterhalen van de inhoud van versleutelde berichten en bestanden veilig te stellen. Een mogelijkheid is het geven van een bevel tot ontsleuteling aan degene die waarschijnlijk de mogelijkheid heeft te ontsleutelen. Dit is momenteel in beperkte gevallen mogelijk (zie art. 125k lid 2 en art. 125m lid 1 Sv), en wordt in het wetsontwerp Computercriminaliteit II vergaand uitgebreid.(23)
Onze conclusie is dat de overheid moet afzien van een verplichting of stimulering van het
inbouwen van data-recoverysystemen in de communicatie- en informatie-infrastructuur. Wel kan
de overheid onderzoek naar betrouwbare data-recoverysystemen stimuleren, om te kijken of het
technisch mogelijk is overheidstoegang tot door criminelen versleutelde informatie veilig te
stellen zonder dat legitieme gebruikers daardoor onaanvaardbare risico's lopen. Zolang dat niet
mogelijk is, moet de overheid andere oplossingen zien te vinden voor het probleem dat
misdadigers cryptografie (kunnen) gebruiken, bijvoorbeeld door een bevel tot ontsleuteling of
door gebruikmaking van alternatieve opsporingsmethoden (zoals direct afluisteren).
Het gebruiken van een data-recoverydienst bij de opslag van gegevens heeft een duidelijke meerwaarde voor bedrijven.(25) In beginsel heeft namelijk slechts één persoon, de geautoriseerde gebruiker, toegang tot deze gegevens. Het kan door omstandigheden voorkomen dat deze persoon geen toegang meer kan of wil verlenen. Het niet meer toegang kunnen verlenen kan onder andere veroorzaakt worden door verlies of beschadiging van de sleutel of verlies van het wachtwoord. Indien een werknemer ontevreden is over bepaalde zaken of belang heeft bij het geheimhouden van de gegevens, kan hij weigeren toegang te verlenen. De rechthebbende kan ad hoc proberen om de versleuteling te kraken (er zijn bijvoorbeeld programma's die automatisch vaakgekozen wachtwoorden uitproberen), maar dat is geen aantrekkelijke oplossing uit beleidsoogpunt. In dat geval resteert data recovery als enige methode om de gegevens te achterhalen.
Bij het beveiligen van communicatie ligt data recovery veel minder voor de hand. Het is namelijk vrijwel altijd mogelijk om nieuwe gegevens te versturen. Hierdoor is het niet nodig om ingewikkelde data-recoverysystemen op te zetten. Alleen in zeldzame gevallen, bijvoorbeeld als een bedrijf de communicatie van werknemers opneemt voor auditingdoeleinden, kan data recovery bij communicatie aan de orde zijn.(26)
Op het moment zijn er voor zover ons bekend nog geen aanbieders van data recovery. Wel doet minimaal één bedrijf in Nederland (Philips Crypto BV) onderzoek naar de mogelijkheden om data recovery aan externe partijen aan te bieden. Er is voor zover ons bekend, nog geen onderzoek gedaan naar de behoefte aan data recovery bij de gebruikers van cryptografie. Wij verwachten dat er met het toenemende gebruik van cryptografie bij het bedrijfsleven een toenemende vraag zal zijn naar veilige en betrouwbare data-recoverydiensten. Hierdoor kan men namelijk zicht houden op de inhoud van opgeslagen gegevens (en eventueel communicatie) bij de organisatie.(27)
Het aanbieden van een data-recoverydienst kan in de praktijk risico's opleveren. Ten eerste kan het voorkomen dat de dienst faalt, bijvoorbeeld door een technische storing of door faillissement van de data-recoveryorganisatie.(28) Ten tweede kan het voorkomen dat de gegevens of de sleutels in de verkeerde handen terecht komen. Dit kan te allen tijde gebeuren, bijvoorbeeld doordat de DRO niet zorgvuldig controleert of de aanvrager wel recht heeft op de gegevens, of doordat iemand een werknemer van de DRO omkoopt.
Door dergelijke problemen is het heel goed mogelijk dat de gebruiker schade lijdt. Deze schade kan bijvoorbeeld ontstaan als rapporten van medewerkers verloren gaan, maar ook als deze rapporten in handen van de media of de concurrentie komen. De hoogte van de schade zal grotendeels afhangen van de inhoud van de gegevens. In het bijzonder in de zakenwereld kunnen gegevens, zoals onderhandelingsgegevens of bedrijfsresultaten, zeer waardevol zijn. De omvang van de schade zal echter vaak moeilijk vast te stellen zijn. Meestal zal de schade door het niet meer kunnen achterhalen of uitlekken van de gegevens bestaan uit directe vermogensschade en gevolgschade - denk bijvoorbeeld aan het uitlekken van fusiebesprekingen. Het is niet ondenkbaar dat er in bepaalde gevallen (daarnaast) ook sprake is van immateriële schade, doordat bijvoorbeeld gevoelige persoonsgegevens uitlekken.
Ook voor derden kan schade ontstaan, vooral wanneer gevoelige gegevens uitlekken over derden. Denk bijvoorbeeld aan een arts die een data-recoverydienst heeft voor zijn patiëntensysteem. Als de DRO ten onrechte gegevens uit dit systeem verstrekt, kan de patiënt daardoor schade lijden, zowel materiële als immateriële. Daarnaast kan schade ontstaan bij relaties van de gebruiker, bijvoorbeeld de partij waarmee de gebruiker geheime onderhandelingen voert.
De gebruiker zal met de DRO een overeenkomst afsluiten. Kern van deze overeenkomst is dat de DRO op verzoek van de gebruiker binnen redelijke termijn de klare tekst van door de gebruiker tijdens de looptijd van de overeenkomst versleutelde gegevens aan de gebruiker ter beschikking stelt. Indien de DRO aan een dergelijk verzoek niet voldoet, pleegt hij wanprestatie. De DRO kan in het contract opnemen dat hij geen garantie levert voor het tijdig ter beschikking stellen van de gegevens, en dat de gebruiker geen enkel recht kan laten gelden als de DRO op het gevraagde moment niet kan nakomen. Dit is een beding dat onder art. 6:236 sub a BW (de zwarte lijst) valt, en dat tegenover consumenten onredelijk bezwarend is. Naast een uitsluiting van de nakomingsverplichting, kan de DRO een exoneratiebeding opnemen om aansprakelijkheid uit te sluiten voor schade die de gebruiker lijdt als gevolg van het niet nakomen door de DRO. Hij kan (vrijwel) alle aansprakelijkheid hiervoor uitsluiten, behoudens opzet en grove schuld, en (waarschijnlijk) behoudens schade voor dood of lichamelijk letsel. Een dergelijk exoneratiebeding wordt op grond van art. 6:237 sub f BW vermoed onredelijk bezwarend te zijn voor consumenten. Wij gaan er in dit artikel van uit dat de dienst aan bedrijven wordt geleverd, en in dat opzicht is het niet relevant dat genoemde bedingen onredelijk bezwarend zijn.
Voor de dienst aan bedrijven kan de DRO de aansprakelijkheid dus vrijwel geheel uitsluiten. Dit is van belang voor de DRO, omdat hierdoor de continuïteit niet in gevaar komt. Er is echter een keerzijde. Aangezien het beschikbaar stellen van de gewenste gegevens de cruciale prestatie van de DRO is, kan het uitsluiten van vrijwel alle aansprakelijkheid door de DRO ten koste gaan van het benodigde vertrouwen bij de gebruiker in de dienst. De DRO kan daarom proberen het vertrouwen te vergroten door meer aansprakelijkheid op zich te nemen.(29) Om te voorkomen dat de continuïteit van zijn bedrijf daardoor in gevaar komt, ligt het voor de hand dat de DRO een aansprakelijkheidsverzekering afsluit. Het afsluiten van een aansprakelijkheidsverzekering voor nieuwe IT-diensten is echter lastig. Hoewel veel in principe verzekerbaar is, zijn in de praktijk de premies en het eigen risico zo hoog dat er van effectief verzekeren geen sprake meer is.(30) Als blijkt dat de dienst niet verzekerbaar is, dan zou het een redelijk alternatief zijn om de schadevergoedingsplicht te beperken tot een percentage van de geleden schade met een bepaald maximum.(31)
Het aanbieden van data recovery is niet aan landsgrenzen gebonden. De dienst kan zelfs eenvoudig internationaal worden aangeboden. Het recht is echter sterk aan landsgrenzen gebonden. Het is daarom belangrijk om te kunnen bepalen welk recht van toepassing is en welke rechter bevoegd is. In de overeenkomst kunnen een forumkeuze- en een rechtskeuzebepaling worden opgenomen, zoals bij een EDI-interchange-agreement gebeurt.
De kans is overigens groot dat conflicten bij bestaande overeenkomsten niet voor de rechter worden uitgevochten. Het is voor zowel de gebruiker als de DRO waardevol om de opgebouwde goede verhouding niet onnodig te verstoren. Hierdoor leidt het vertrouwen immers minder schade. Alternatieve vormen van geschillenbeslechting zijn dan ook een belangrijk aandachtspunt bij dit soort diensten. Reeds bestaande vertrouwelijke diensten bevestigen dit. De broncode-escrowovereenkomst van het CUC in Lelystad heeft bijvoorbeeld nog nooit tot een juridische procedure geleid; eventuele conflicten zijn kennelijk op een andere manier opgelost.
Ook derden kunnen schade lijden, bijvoorbeeld door het uitlekken van gevoelige gegevens over hen (bijvoorbeeld werknemers- of patiëntengegevens) of door het falen van de dienst (bijvoorbeeld als een arts tevergeefs probeert patiëntengegevens te achterhalen). De aansprakelijkheid tegenover derden is echter moeilijk te regelen. Op dergelijke schade is immers nauwelijks te anticiperen, omdat de DRO (meestal) geen enkele relatie heeft met de personen die in de achterhaalbare gegevens voorkomen. Dit maakt de data-recoverydienst anders dan bijvoorbeeld een certificatiedienst, omdat daarbij vrijwel alleen schade aan derden kan ontstaan door fouten in een certificaat of door verkeerd gebruik ervan. De CA kan aansprakelijkheid hiervoor uitsluiten door een clausule op te nemen in het certificaat die zich richt tot derden die het certificaat willen gebruiken. Een DRO kan zich veel minder richten tot derden.(32)
Samengevat stellen wij dat de behoefte aan data-recoverydiensten naar verwachting zal
toenemen, waarbij de aansprakelijkheid voor mogelijke schade goed geregeld moet worden.
Hiervoor hebben aanbieder en gebruiker veel ruimte. De continuïteit van de dienst en het
vertrouwen dat de aanbieder wil genereren zijn daarbij belangrijke factoren voor de verdeling
van
de aansprakelijkheid. De aansprakelijkheid tegenover derden valt nauwelijks te regelen.
Op grond van de Wet persoonsregistraties (en de komende Wet bescherming persoonsgegevens) dient de houder van een persoonsregistratie (dan wel bewerker van persoonsgegevens) te zorgen voor een adequate beveiliging van deze gegevens. Cryptografie is hiervoor een aangewezen middel. Dit kan echter op gespannen voet komen te staan met het recht op inzage van betrokkenen in de gegevens. Wat te doen indien bijvoorbeeld een arts geen inzage kan verlenen? Houdt de verplichting tot inzage verlenen een verplichting in tot data recovery, als de houder/bewerker van persoonsgegevens deze beveiligt met cryptografie?
Hetzelfde geldt voor de controlebevoegdheden ter handhaving van bepaalde wetten. Hoe verhouden zich de inzageverplichtingen van speciale wetten, zoals de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Wet op de economische delicten, tot de mogelijkheid de administratie te versleutelen? Houdt de verplichting te allen tijde inzage te verlenen mogelijk een verplichting in om bij versleuteling een (externe) data-recovery-overeenkomst aan te gaan? En omgekeerd, hoe verhoudt zich de verplichting van data-recoveryorganisaties om inzage te verlenen tot de privacy van de gebruikers van de dienst? En hoe zit het als een verschoningsgerechtigde notaris deze dienst aanbiedt?
Tot slot noemen wij nog een mogelijk probleem bij langdurige opslag van gevoelige
gegevens.
Als een archief uit beveiligingsoverwegingen wordt versleuteld, bestaat er dan een mogelijke
verplichting tot data recovery, bijvoorbeeld op grond van de archiefwet? En wat zijn de
implicaties voor de data-recoveryorganisatie van langdurige toegankelijkheid? Als digitale
duurzaamheid een verplichting tot continuïteit van data recovery inhoudt, heeft dat
consequenties
voor de data-recoveryorganisatie bij beëindiging van de bedrijfswerkzaamheden. Mogelijk
ligt
hier dan ook een rol voor de TTP-kamer die volgens de eindrapportage Nationaal TTP-project de
naleving van de randvoorwaarden voor TTP's moet waarborgen?
Data recovery kan, zeker voor opgeslagen gegevens, nuttig zijn voor bedrijven. Er zijn echter wel risico's aan verbonden. De dienst kan falen of de gegevens kunnen uitlekken. Wil de DRO een betrouwbare dienst leveren, dan zal hij daarom zeer strenge beveiligingsmaatregelen moeten treffen en zijn uiterste best moeten doen om de gevraagde gegevens tijdig aan de gebruiker beschikbaar te stellen. Het vertrouwen in het slagen van de dienst is immers een cruciale factor bij het aangaan van een data-recoveryovereenkomst. Hoewel dit vertrouwen vooral een bedrijfseconomische afweging zal zijn, kan de invulling van de aansprakelijkheidsverdeling tussen de DRO en de gebruiker ook een rol spelen. DRO's zijn immers nog niet operationeel en gebruikers kunnen hun vertrouwen dus niet baseren op ervaringen. De aansprakelijkheid van de DRO kan het beste beperkt worden tot een verzekerbaar bedrag, zodat de continuïteit niet in gevaar komt.
Uit de analyse van het nut van data-recoverydiensten voor de overheid en voor gebruikers
blijkt
dat het hier om twee gescheiden zaken gaat, waarbij geheel verschillende belangen spelen. Zo
draait data recovery voor gebruikers vrijwel alleen om opslag van gegevens, terwijl bij het
overheidsbelang het transport (aftappen) een prominente rol speelt. De techniek en de invulling
van de dienst verschillen daarom dusdanig, dat beide vormen van data recovery niet op
beleidsniveau met elkaar moeten worden vermengd. De enige rol voor de overheid lijkt ons
vooralsnog het stimuleren van onderzoek naar betrouwbare systemen voor data recovery.
2.
Met dank aan Sylvia Huydecoper en Simone van der Hof voor hun commentaar op een eerdere versie.3.
Hal Abelson, Ross Anderson, Steven M. Bellovin et al., The Risks of Key Recovery, Key Escrow, and Trusted Third-Party Encryption, juni 1998, WWW <http://www.cdt.org/crypto/risks98/>. < a name="N_4_">4. N.F. Breed, D.J. Out, O. Tettero, Informatiebeveiliging, een blik
achter de schermen, Alphen aan den Rijn: Samsom
BedrijfsInformatie, 1994. Zie ook European Commission, Ensuring security and trust in
electronic communication -
Towards a European Framework for Digital Signatures and Encryption, COM(97) 503, 10
oktober 1997, p. 9. Zie over
cryptografie Bruce Schneier, Applied Cryptography, 2nd edition, New York: John
Wiley, 1996.
5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16. 17. 18. 19. 20. 21. 22. 23. 24. 25. 26. 27. 28. 29. 30. 31. 32.
© Bert-Jaap Koops, Huub de Jong 1998. All rights
reserved.
home | help | address | mail | links
research | crypto law survey | publications | personal | amnesty