Bert-Jaap Koops homepage - publications

TEGEN DECONSTRUCTIE

Een (de/constructieve) bespreking van Against Deconstruction van John Ellis

© Bert-Jaap Koops, april 1991

Dit artikel mag niet worden verspreid of vermenigvuldigd zonder toestemming van de auteur. Het uitprinten van één copie voor persoonlijk gebruik is toegestaan. Citeren met bronvermelding.

Inhoud

Inleiding

1 Tegen deconstructie - een constructieve bijdrage

I Tegen2 deconstructie - een deconstructief sprookje

i Tegenn deconstructie (n = natuurlijk getal)

Bibliografie

Noten

Inleiding

Deconstructie lijkt één van de belangrijkste hedendaagse stromingen in de literatuurbeschouwing te zijn. Naast een grote vloed aan zogenaamd "deconstructieve" literatuurkritieken verschijnen er regelmatig overzichtswerken over de belangrijkste aandachtspunten en het belang van deconstructie in de theoretische en praktische literatuur- of zelfs cultuurbeschouwing. Het verschijnen van een boek tegen deconstructie dat pretendeert zodanig de basisideeën van het deconstructivisme aan te vallen dat deconstructie haar hele bestaansrecht verliest is dan ook een gebeurtenis die aandacht verdient.

Het gaat er dan om in hoeverre de kritiek van John M. Ellis in Against Deconstruction(1) hout snijdt dan wel verworpen kan worden door deconstructivisten. Doordat hij zeer expliciet zijn standpunt en zijn uitgangspunten uiteenzet zou het mogelijk moeten zijn de kritiek van Ellis af te meten tegen de ideeën van deconstructivisten, ware het niet dat deze zelden duidelijk, expliciet of eenduidig weergegeven worden.

Het probleem bij het bespreken van de standpunten pro en contra deconstructie ligt dan ook voornamelijk in het verschil in houding dat men hanteert: Ellis schrijft helder, expliciet, logisch en gericht op overtuigen van zijn denkbeelden, deconstructivisten schrijven voornamelijk ondoorzichtig, impliciet, gericht op verrassen en omverhalen van meningen. Ik krijg de indruk dat door dit verschil in blikveld de stellingnames voor en tegen nogal langs elkaar heen lopen en dat de dialoog die Ellis wil opzetten stukloopt op het wantrouwen van communicatie bij deconstructivisten.

In dit artikel zal ik eerst de hoofdlijnen weergeven van Ellis' kritiek, waarbij ik probeer aan te geven in hoeverre die kritiek afhangt van zijn (impliciete) opvattingen over wetenschap, communicatie, kennis etc. en in hoeverre die kritiek dan nog vat heeft op deconstructieve ideeën, die volgen uit een heel andere opvatting over wetenschap en kennis. Vervolgens zal ik een quasi-deconstructieve reactie geven op Ellis' werk, om uiteindelijk te kijken of een debat zoals Ellis voorstaat wel mogelijk is, of dat voor- en tegenstanders eigenlijk voortdurend langs elkaar heen zullen praten.



1 Tegen deconstructie - een constructieve bijdrage

John Ellis zet in Against Deconstruction een duidelijk, rechtlijnig betoog op tegen deconstructie. Hij doet dit vanuit de opvatting dat het bij nieuwe ontwikkelingen op wetenschapsgebied voor iedereen zinvol is om uitgebreid en duidelijk te discussiëren over de logische grondslagen, de vernieuwende waarde en de zin van die ontwikkelingen. Hij constateert dat deconstructie is ingeburgerd zonder dat er een goede dialoog is geweest over de waarde ervan en hij probeert alsnog aan te geven waarom volgens hem deconstructie in feite een rhetorische stroming zonder vernieuwingswaarde is. Hij concludeert tenslotte dat deconstructie theoretisch inhoudsloos en praktisch contraproductief is.

Ellis zet zijn aanval op met het oogmerk aan te tonen dat deconstructie pertinente, generaliserende onzin is voor zover het nieuwe, originele dingen beweert en dat het triviale, lang ingeburgerde gemeenplaatsen betreft voor zover het zinvolle dingen beweert. Na eerst de "logica" van deconstructie geanalyseerd te hebben bespreekt Ellis vier hoofdpunten van het deconstructieve gedachtengoed (taal, literatuurbeschouwing in theorie en praktijk, interpretatie en tekstualiteit). Hierbij volgt hij steeds dezelfde redeneertrant: hij geeft citaten van de belangrijkste deconstructivisten over het betreffende idee, vertaalt die in gewone en begrijpelijke taal, onderscheidt dan een gematigde, genuanceerde versie en een extreme, kategorische variant die hij vervolgens als triviaal respectievelijk absurd aanwijst, om te concluderen dat de populariteit en het schijnbaar diepgaande karakter van het deconstructieve idee eigenlijk alleen een gevolg is van de rhetorische kracht waarmee het idee gebracht wordt.

In hoofdstuk 1, `Analysis, Logic and Argument in Theoretical Discourse' wil Ellis aangeven hoe deconstructie te bediscussiëren valt. Deconstructie beweert er immers een andere logica op na te houden - het is een project, geen theorie. Zoals Barbara Johnson schrijft: `Instead of a simple either/or structure, deconstruction attempts to elaborate a discourse that says neither`either/or', nor `both/and' nor even `neither/nor', while at the same time not abandoning these logics either.'(2)Ellis doet dit af als een staaltje `rhetorical brilliance per se', dat een schijn van diepgang heeft maar in feite nietszeggend is; het wordt immers totaal niet duidelijk wat nu die andere logica is.(3)

In feite, beweert Ellis, kan geen enkele deconstructivist uitleggen wat nu die "andere" logica, waardoor deconstructie een andere benaderingswijze zou behoeven, zou zijn. Bovendien gebruiken deconstructivisten in hun onderlinge discussies wel degelijk normale rationele, "klassiek-logische" argumenten: men geeft aan dat iemand Derrida wel of niet goed heeft weergegeven of dat een bepaalde uitspraak al dan niet in tegenspraak is met deconstructieve uitgangspunten. De claim dat deconstructie niet met normale logische middelen benaderd mag worden is dus vaag en wordt niet consistent gehanteerd, concludeert Ellis. Hij stelt dus voor om de uitgangspunten van het deconstructivisme logisch te analyseren en op die manier bij te dragen aan de discussie over de waarde ervan.

Het probleem nu is dat Ellis' redenering weliswaar goed in elkaar zit en wel kant of wal raakt, maar dat de termen waarin hij deconstructie bespreekt -hij wil beoordelen of de opvattingen van deconstructie `useful, cogent, compelling, original' zijn (p.14)- niet direct vat hebben op deconstructie. Zijn conclusie dat deconstructivisten hun logica niet "consistent" verdedigen gaat al uit van zijn eigen binaire logica. "Vaagheid" en "inconsistentie" zijn voor Ellis negatieve begrippen die ten koste gaan van de discussie die moet leiden tot een zinvoller, beter, overtuigender opvatting, terwijl "helderheid" en "consistentie" juist door het deconstructivisme geproblematiseerd worden. Ellis komt hier dan ook niet toe aan het eigenlijke probleem, namelijk dat de "logica" van deconstructie problematiserend is, terwijl zijn eigen "logica" probleemoplossend is.

Het tweede hoofdstuk, `Deconstruction and the Nature of Language', is m.i. het meest geslaagde deel van Against Deconstruction. In zijn behandeling van Derrida's taalopvatting wijst Ellis terecht op een fundamentele misvatting van Derrida over de Saussure. Derrida heeft de Saussure zodanig verdraaid dat zijn eigen opvattingen revolutionair en opzienbarend lijken, terwijl in feite de Saussure veel meer die eer toekomt, aldus Ellis.

Derrida plaatst de Saussure uiteindelik in de traditie van "logocentristen", als zou ook hij zijn bezweken voor de oeroude illusie dat het gesproken woord belangrijker is dan het geschrevene. De Saussure is echter juist belangrik geweest omdat hij de linguistiek heeft afgewend van het bestaande ethnocentrische overwicht in aandacht voor het geschreven ten koste van het gesproken woord. Door deze fundamentele misdiagnose van de geschiedenis van de linguistiek wordt Derrida's argumentatie gelijk in het begin al ongeloofwaardig. Zijn hetze tegen het gesproken woord is eigenlik een merkwaardige obsessie, aangezien een taal toch alleen maar geschreven wordt als hij ook geproken wordt, terwijl het herhaaldelijk voorkomt dat men spreekt zonder te (kunnen) schrijven. Het is dan ook een belachelijke onderneming het primaat van het schrift te willen aantonen. Ellis voert een belangrijk punt aan door de truc van Derrida te ontmaskeren: deze vervangt in zijn redenering namelijk ongemerkt het onderscheid taal-gesproken woord-schrift door het onderscheid schrift-fonisch-grafisch, waardoor het schrift als taal zowel het gesproken als het geschreven woord lijkt te omvatten. Derrida begaat dus een logische fout van herdefiniëring.

Dit is des te opmerkelijker, omdat het primaat van het schrift in feite helemaal niet nodig is voor Derrida's belangrijkste doel, namelijk het ontmaskeren van "logocentrisme". Hoewel het moeilik is erachter te komen wat Derrida en zijn volgelingen precies met deze term bedoelen, neemt Ellis -correct, lijkt mij- aan dat `logocentrism is the illusion that the meaning of a word has its originin the structure of reality itself and hence makes the truth about that structure seem directly present to the mind' (pp.36/7). Logocentrisme lijkt dus erg veel op essentialisme (het idee dat een woord direct in relatie staat tot het wezen van wat het aanduidt). Derrida zegt dus gewoon dat je niet zomaar de betekenis van een woord direct of a priori kunt relateren aan de werkelijkheid, en dat is een bewering die al met grote regelmaat vanaf de middeleeuwen gedaan is. Hij zegt dus niets nieuws maar verzint alleen een nieuwe term ("logocentrisme"), waardoor het alsnog heel wat lijkt.

Zo had de Saussure al lang, wat Derrida lijkt te vergeten, gewezen op de willekeur niet alleen van de relatie betekenaar-betekende (een voor de hand liggend onderscheid), maar ook op de willekeur van conceptualisering per se (i.e. dat er geen logisch verband bestaat tussen welke begrippen/ideeën een geest aanlegt en de werkelijkheid waarmee zij moeten corresponderen). Derrida heeft de neiging het systeem van de Saussure (betekenaar-betekende-referent) te simplificeren tot het primitieve systeem woord-referent. Ellis draaft na deze juiste constatering een beetje door met aan te geven hoe Derrida zo geen bijdrage levert aan het al jaren bestaande debat over de relatie taal-werkelijkheid, terwijl hij eigenlijk zoveel mogelijk zou moeten aansluiten bij de actuele stand van zaken in deze gevorderde discussie.

Het vervolg van Derrida nu is om vanuit het arbitraire van het teken te concluderen tot de willekeur van de betekenis van het teken- een overgang die de Saussure juist niet maakt, omdat bij hem betekenis geschapen wordt door de (willekerige maar specifieke) opposities binnen het systeem. Ellis geeft een goede, heldere analyse van de denkfouten die Derrida maakt bij het "aantonen" dat betekenis niet vast is maar naar het oneindige verschuift. De belangrijkste tegenwerpingen zijn dat 1) Derrida de term "oppositie" vervangt door "spel", wat minder controle over de betekenis suggereert, waarna hij het begrip "spel" oprekt totdat er oneindig veel mogelijkheden ontstaan; 2) Derrida het betekenisproces zelf verwart met de analyse van dat proces (op het moment dat iemand iets zegt heeft die uitspraak een bepaalde betekenis, maar om die te expliciteren kom je terecht in het (inderdaad oneindige) proces van betekenis-analyse); 3) Derrida de Saussure's logische onderscheid tussen signifiant (klank/vorm) en signifié (idee, concept) vervormt door betekende als betekenaar te laten optreden: hoe zou een concept ooit kunnen "betekenen"? en 4) Derrida de uitspraak van de Saussure dat de betekenaar helemaal niet fonisch is, uitlegt als zou betekenaar niets met geluid te maken hebben, terwijl de Saussure juist bedoelt dat de betekenaar geheel fonemisch in plaats van fonisch is (i.e. dat het betekenen niet geschiedt door de (absolute) vorm van het geluid maar door de (relatieve) verschillen in geluid).

Ellis toont zo aan dat de `free play of meaning' waar het deconstructivisme zo prat op gaat gebaseerd is op een rhetorische voorstelling van zaken waarbij de Saussure geheel verkeerd begrepen (of uitgelegd) wordt. Het hele idee dat een betekenis oneindig kan verschuiven zou juist het begrip "betekenis" teniet doen, omdat betekenis alleen bestaat bij gratie van specifiek onderscheid; als iets alles kan betekenen, dan betekent het niets.

Ik denk dat dit hoofdstuk zeker een fundamentele kritiek levert op Derrida en het deconstructivisme, en dat de conclusie dat Derrida geen substantiële bijdrage levert aan het debat over de relatie taal-werkelijkheid gerechtvaardigd is. De confrontatie de Saussure-Derrida die Ellis hier geeft kan in elk geal niet zomaar door deconstructivisten van de hand gedaan worden, en een herbezinning op de ideeën over betekenis lijkt mij dan ook voor hen op haar plaats.

Aan de andere kant kan wel gezegd worden dat Ellis Derrida's extreme standpunt (free play of meaning) wat al te licht verwerpt wanneer hij eenmaal de inconsistentie ervan aangetoond heeft. Derrida's overstatement wijst op het problematische aspect van betekenis, namelijk dat je in principe de analyse van de betekenis van een woord/zin/tekst ad infinitum zou kunnen doorvoeren. Hoewel Ellis en Derrida het er eigenlijk wel over eens zijn dat in veel gevallen men overeenstemming kan bereiken over "de" betekenis(sen), leggen ze vervolgens een verschillende nadruk: Ellis op de praktische en intersubjectieve mogelijkheden van (voorlopige) betekenistoekenning, Derrida op de glibberige valkuilen bij elk fixeren van betekenis. Ellis praat dus ook hier enigszins langs Derrida heen.

In zijn derde hoofdstuk, `Deconstruction and the Theory and Practice of Criticism', geeft Ellis weer waarom deconstructie geen bijdrage levert aan de ontwikkeling van denken en interpretatie. In de deconstructieve praktijk bestaat er maar één procedure: het beschrijven van de algemeen aanvaarde, voor de hand liggende betekenis en het onderuithalen daarvan door aan te tonen dat precies de tegenovergestelde betekenis ook of zelfs meer bestaansrecht heeft. Dit veronderstelt, volgens Ellis, dat er in de bestaande praktijk een duidelijke overeenstemming heerst over de interpretatie van een tekst, die dan ook nog vrij naïef de oppervlakkige betekenis van de tekst moet volgen, iets wat evidenter bepaald niet altijd het geval is. Ook het extreme standpunt dat elke tekst eigenlijk het tegenovergestelde betekent van wat het lijkt te zeggen is onnodig kategorisch en versimpelend. In feite interpreteert deconstructie niet, maar haalt het alleen oude interpretaties omver. Het levert dus geen bijdrage aan de voortgang in kennis, die immers alleen plaatsvindt door creatief nieuwe betekenissen te vinden. Dat deconstructie dan toch zo populair is, is te wijten aan het aura van ondermijning en schokken dat het optrekt. Zo is deconstructie in feite alleen revolutionair in het revolutionair-zijn in se, niet in het revolutionair zijn om iets te bereiken.

Ellis versimpelt hier het deconstructieve proces wel enigzins. Het lijkt mij niet juist dat deconstructie een algemeen aanvaarde, naïeve interpretatie vereist; het omverhalen kan met elke interpretatie, hoe diepgaand ook, gebeuren (je scoort alleen meer succes als de ondermijnde interpretatie breed geddragen wordt). Dat veel deconstructivisten ertoe neigen om uiteindelijk de onderdrukte, door hen naar boven gehaalde interpretatie te bevoorrechten en te zien als "de" betekenis, lijkt mij een correcte terechtwijzing: "echte" deconstructivisten zouden dit niet "mogen" doen. Helaas gaat Ellis bij het afwijzen van de inderdaad wel erg standaardprocedure van deconstructieve literatuurkritiek voorbij aan het waarom van die procedure. Voor Ellis levert een deconstructieve kritiek geen constructieve bijdrage aan het wetenschapsbedrijf en is het daarom verwerpelijk. Deconstructie ziet de "voortgang" van kennis m.i. voornamelijk als politiek, manipuleren, rhetorika, gelijk krijgen in plaats van "intersubjectief gelijk hebben". Ellis verwijt deconstructivisten dus eigenlijk dat ze zijn geloof in de waarde van het wetenschapsbedrijf als `progress in thought and interpretation' (p.82) niet delen.

Dat wordt weerspiegeld in `What does it Mean to Say that All Interpretation is Misinterpretation?', waarin Ellis weergeeft dat deconstructie niets nieuws te bieden heeft op het gebied van interpretatietheorie. De kategorische vorm van de zin `elke interpretatie is misinterpretatie' maakt deze uitspraak onzinnig: je zou dan acuut moeten stoppen met interpreteren. Het slogankarakter vormt echter weer de belangrijkste oorzaak voor de populariteit van deze pseudo-positie, aldus Ellis.

`Textuality, the Play of Signs and the Role of the Reader' gaat in op het deconstructieve idee van tekstualiteit en het spel van tekens. Volgens Ellis houdt tekstualiteit in dat een tekst niet meer geregeerd wordt door de auteur (de oude "intentional fallacy") noch door de regels en conventies van taal. Deconstructie springt hier van het ene uiterste (de tekst betekent wat de auteur bedoelt) naar het andere: de tekst betekent alles wat een lezer er maar in leest; het hangt in dit opzicht sterk samen met reader-response criticism (Fish) in dit opzicht. Ellis ziet het argument van deconstructie dat door de oneindigheid van het beteknisproces een tekst alles kan betekenen als en vrijbrief voor willekeurige, onberedeneerde interpretaties, waardoor het hele systeem van interpreteren absurd wordt.

Ik denk dat Ellis het deconstructieve standpunt hier enigszins overdrijft. Deconstructie benadrukt de principiële oneindiigheid van betekenissen, maar dat betekent niet dat een tekst ook alles betekent. Ellis merkt zeer terecht op dat het verschijnsel ambiguïteit in literaire teksten geen betrekking heeft op gebrek aan vastliggende betekenis, maar op het niveau van gespecificeerdheid waarop je betekenis wilt geven. (Zo heeft het woord `vierhoek' een eenduidige, specifieke betekenis, maar het wordt ambigu in een contekst waarin je wilt weten of het een vierkant of een parallellogram betreft.) Ellis gebruikt dit als een argument tegen deconstructie's zogenaamd willekeurige betekenistoekenning. Volgens mij is het echter juist een argument voor het deconstructivisme, namelijk dat je steeds een nieuwe betekenis kunt vinden door een niveau dieper te kijken. In feite maakt Ellis hier een logische fout bij het analyseren van het standpunt van het spel van tekens door te stellen: `If texts can mean anything, then they really mean nothing.' (p.128). Deze bewering zou logisch gezien echter moeten luiden: `Als teksten alles betekenen, dan betekent ze niets.' De "potentiële quantor" maakt juist dat een tekst in elke situatie een specifieke betekenis kan hebben, maar dat die betekenis per (lees-)situatie kan verschillen. Het idee van "het spel van tekens" is dus wel degelijk consistent met een interpretatiepraktijk. Voor Ellis is dit echter moeilijk te verdragen: voor hem moet het altijd mogelijk zijn om een goede interpretatie te scheiden van een slechte, en dat wordt problematischer als je aan elke lezer een principiële vrijheid in betekenis geven toekent: je kunt dan moeilijker argumenten voor of tegen een interpretatie uit de tekst zelf halen. Of het extreme standpunt dat Ellis aan Fish toeschrijft -je kunt geen enkel argument uit de tekst halen, omdat die tekst juist onder discussie staat- ook op die manier door deconstructie onderschreven wordt, lijkt mij twijfelachtig. Interpretaties zijn verdedigbaar, juist op tekstuele gronden (deconstructie wordt niet voor niets "closer reading" genoemd), maar nooit absoluut of voor altijd.

Eigenlijk liggen de standpunten van Ellis en van deconstructie/Fish hier niet zo uit elkaar als Ellis wil doen voorkomen; het komt hier weer neer op een verschil in nadruk. Volgens Ellis zijn er redenen om tot één bepaalde liever dan tot een andere interpretatie te komen, hoewel andere interpretaties in principe ook interessante gezichtspunten kunnen bieden. Voor deconstructivisten kan elke interpretatie een interessant (nieuw, schokkend) inzicht geven in een tekst, hoewel je redenen kunt aangeven om één bepaalde interpretatie (voor het moment) te verkiezen. Ellis kiest een interpretatie uit de stapel mogelijke betekenissen, en deconstructivisten geven aan waarom het onterecht is die andere interpretaties weg te gooien. Ze hebben volgens mij dus wel in principe dezelfde kijk op literatuur en op hermeneutiek, maar ze geven er een andere invulling aan.

In `The Logic of Deconstruction' komt Ellis terug op het performatieve karakter van deconstructie. De stroming die zo beredeneerd-theoretisch antitraditionalistisch is ontbeert in feite een logica. Deconstructie is alleen een procedure, en dan ook nog een ingebakken standaardprocedure, namelijk het omverhalen van common sense gezichtspunten. Of de daardoor bovengehaalde, "onderdrukte" betekenis dan ernaast of eroverheen "ingeschreven" wordt maakt eigenlijk niets uit: in beide gevallen betekent het geen vernieuwende toevoeging aan het debat. Deconstructie schopt alleen, zonder zelf te scheppen. Dat het dan nog zo diepgaand en spannend lijkt komt door twee dingen: het emotionele gehalte van de deconstructieve stijl (die Ellis ikonoklastisch noemt) en de nieuwe, vervreemdende terminologie. De deconstructieve termen bieden geen nieuw gezichtspunt, maar doordat deconstructivisten verbieden om ze te herformuleren blijft het aura van originaliteit en `sophistication' gehandhaafd.(4) Waar deconstructie in uitmunt is provoceren; maar de uitdaging van deconstructie blijft een algemene en dus vage aanval. Deconstructivisten blijven volgens Ellis dus in het luchtledige rondschoppen. De pseudo-complexiteit van dit schoppen maakt echter dat zovelen zich ertoe aangetrokken voelen -zoiets van "kijk mij eens intellectueel meedeconstrueren".

Ellis concludeert dan ook in zijn laatste hoofdstuk dat het enige dat deconstructie gedaan heeft het herformuleren van al lang bestaande ideeën met een aura van revolutionariteit is. Het pluralisme dat deconstructie hierin benadrukt maakt echter al sinds jaar en dag deel uit van de Amerikaanse literatuurkritiek -dit in tegenstelling tot de Franse intellectuele wereld, waar Derrida's uitstraling van revolutionair vernieuwer terecht indruiste tegen het eenzijdig conservatieve wetenschapsblok. Het is dan ook onbegrijpelijk dat iedereen het "radicale" van deconstructie in de Amerikaanse literatuurbeschouwing voetstoots aanneemt. Hierbij gaat men ook nog eens voorbij aan een enorm praktisch nadeel van dit theoretisch pluralisme, namelijk dat door de gigantische hoeveelheid individualistische literatuurkritieken, die veelal meer met de interpreet dan met het geïnterpreteerde te maken hebben, het gemiddelde niveau van de kritieken drastisch gedaald en bedroevend laag is. Dit is geen klimaat om kaf van koren te scheiden en het vormt zo een sterke belemmering voor het normale proces van `shared inquiry, in which individual perceptions are expected to be tested and sifted by others.' (p.159) Het intrinsiek antitheoretische standpunt van deconstructivisme is een van de belangrijkste boosdoeners van deze teloorgang van argumentatie en dialoog.

Het belang van Ellis' boek is dat het heldere, onomwonden kritiek geeft op deconstructie vanuit een duidelijke (neopositivistische) wetenschapsopvatting. Hij kijkt door het mystificerende, rhetorische karakter van deconstructieve teksten naar hun impliciete uitgangspunten, waardoor hij vaak kan aangeven hoe de deconstructieve visie stukloopt op logische of common sense argumenten. De kritiek op Derrida's taalopvatting en het aanwijzen van het rhetorische karakter als versluiering van duidelijke of gedegen standpuntinname acht ik de meest belangwekkende punten van het boek. Ook het bespreken van inconsistenties in het al te eenvoudig laten verschuiven van betekenissen en interpretaties werkt verhelderend. De plaatsing van Derrida in de Franse wetenschapswereld en van deconstructie in de (pluralistische) Amerikaanse literatuurkritiek geeft samen met de opmerkingen over de aantrekkingskracht van deconstructie een fraai beeld van de politiek van het weteschapsbedrijf. Ellis' praktische argument dat door de reader-response-achtige literatuurkritiekbomen geen tekstbos meer te ontwaren valt is belangrijk, maar lijkt wat misplaatst in een werk dat geschreven is vanuit het gezichtspunt van logica en theoretische onderbouwing.

De expliciete stellingname vooraf van Ellis vormt echter ook het grootste nadeel van zijn werk. Door te kiezen voor dialoog, gezond verstand en `progress in thought and interpretation' plaatst hij zich bij voorbaat in de traditie waartegen deconstructie ageert en krijgt zijn kritiek geen vat op het uitgangspunt van het deconstructieve "paradigma": het problematiseren van alle concepten die samenhangen met een (neo-)positivistisch wereldbeeld. Een common sense jury zal Ellis dan ook een overwinning op punten toekennen, maar een deconstructieve jury zal Ellis zichzelf knock-out zien slaan (om Ellis' judometafoor te parafraseren).



I Tegen2 deconstructie - een deconstructief sprookje

`But I don't want to go among mad people,' Ellis remarked.
`Oh, you can't help that,' said the Cat: `we're all mad here. I'm mad. You're mad.'


Het debat over literatuurbeschouwing lijkt op een judowedstrijd, zo zegt John MEllis in Against Deconstruction. `One side [i.e. deconstruction] provokes the other side into an ill-considered lunge then neatly steps aside and uses the attacker's own momentum to send him sprowling into a heap, where, of course, he still thinks he had every right to have won the argument and wonders what went wrong.' (p.99) Een bedroevende zaak, vindt vredelievende Ellis, want als rationelewetenschappers onder elkaar moeten we toch opbouwend met elkaar kunnen discussiëren.

Daarom wil hij een constructieve bijdrage leveren aan het debat over deconstructie, dat opvallend weinig tegengeluiden tegen deze stroming laat horen. `My purpose in writing this book, then, is not only to contribute to a debate on deconstruction but to help to create the conditions under which that debate will be possible. It sets out a case against deconstruction.' (pp.ix/x) Je verwacht dus een redelijke bespreking van deconstructieve standpunten die na ruime overweging dan afgewezen kunnen worden, met behoud van hun positieve bijdragen. De rationele, heldere toon van zijn betoog versterkt deze indruk.

't Is dan ook een ietwat merkwaardig dat Against Deconstruction niet kijkt naar de tactiek van deconstructie, maar dat Ellis enkele deconstructieve technieken bij voorbaat al uitschakelt en vervolgens tevreden kijkt hoe hij deconstructie als stroming in een houdgreep heeft. Zijn tactiek is `examining the logic of the central issues and arguments that give the position in question its characteristic quality and that together constistute its major thrust.'(p.x) Tevreden constateert hij dat de "centrale" zaken binnen het deconstructivisme ten enenmale logika ontberen en daarmee vindt hij de wedstrijd wel beslist.

Als we, op verzoek van Ellis, even de judometafoor verlaten en overgaan op "discussie" (evenzeer een metafoor voor het debat dat hij op gang wil brengen), zien we direct de (dialoog-)logische fout die Ellis begaat, namelijk het verheffen van zijn eigen uitgangspunt tot spelregel van de discussie. Hij maakt twee aannames `which seem to me fundamental ones that are not seriously challenged by any of the claims made for deconstruction as a special case' (p.14), waarvan de eerste beweert dat de uitspraken van Derrida en volgelingen geanalyseerd kunnen worden om te kunnen concluderen of zij `useful or pointless, cogent or incoherent, compelling or uncinvincing, original or derivative' zijn (p.14). Deconstructie beweert dat het zinvol of -loos zijn, het origineel of afgeleid zin van een uitspraak betrekkelijk contekstafhankelijk is, van hoe je er naar kijkt. Binaire opposities zijn vaak binair noch oppositioneel. Ellis vervalt hiermee in de extremen die hij het deconstructivisme verwijt te bezigen waar hijzelf comnonsensical de middenweg zou bewandelen. Jammer voor Ellis' onderneming, maar het uitgangspunt een bewering te kunnen wegen om haar over te nemen of voorgoed weg te werpen is juist wat deconstructie in twijfel trekt.

Hiermee valt 't hele werk in het water, aangezien Ellis overal angstvallig vasthoudt aan zijn positivistische wereldbeeld. Bij zijn argument waarom de logika van deconstructie niet anders is dan zijn eigen, klassieke logika hanteert hij al die binaire logika (rotsvast rustend op het principe van de niet-tegenspraak): het is (hem) niet duidelijk waar de deconstructieve logika anders is, "dus" is het geen andere logika. Alsof twee logikai commensurabel zouden zijn. Een wereld waarin logika geregeerd wordt door rhetorika (daar komt het deconstructieve program toch op neer) is niet te begrijpen vanuit Ellis' binaire paradigma, zodat hij deconstructie als onlogisch dus zinloos dus destructief ziet.

Als canny criticus zal Ellis echter per definitie niet ontvankelijk zijn voor dit verschil in opvatting. Wellicht dat hij gevoeliger is voor enkele "logische" fouten en "inconsistenties" bij hemzelf. Wanneer Ellis op p.11 de deconstructivist Riddell aanvalt met `he is of course accusing him [i.e. Graff, die hem had aangevallen] not of being logic (the only consistent objection) but instead of being illogical, of using the tools of rational discourse badly', dan wil hij daarmee zeggen dat Riddell's inconsistent gebruik van inconsistentie inconsistent is, een evidente logische misvatting van Ellis. Het leuke van een a-logisch standpunt is dat alles mag, dus ook logika (als 't maar overtuigt).

Wanneer Ellis op p.54 beweert dat `zwart' niet tegen willekeurig welk woord maar alleen tegen `wit' kan spelen, dan vergeet hij gemakshalve dat `zwart' tegen elke "kleur" contrasteert (kijk maar in schilderijen). `Zwart' betekent niet alleen `niet-wit', maar een oneindigheid aan kleurverschillen (het zwart van `De Nachtwacht' is anders dan het zwart van `De verloren zoon'). Ellis wil gewoon niet begrijpen wat het oneindige spel van betekenis zegt, namelijk dat er oneindig veel conteksten zijn waaraan een woord betekenis kan ontlenen. Zijn opvatting van oneindigheid is nogal naïef en ouderwets - volgens hem moet `stoel' ook `appel' kunnen betekenen als het oneindig veel betekenissen kan hebben. Of zoals hij het zelf uitdrukt: als Hamlet alles kan betekenen, dan zal het dus wel hetzelfde als Macbeth betekenen. De strekking van het deconstructieve argument is dat ze beide oneindig veel kunnen betekenen, maar dat die rijen absoluut niet identiek of zelfs maar commensurabel hoeven te zijn. De mogelijkheden van interpretaties zijn -en dat is een beetje veel voor Ellis, die elke vorm van oneindigheid als (Aleph 0) beschouwt.

Een typisch staaltje van rhetorika is de redenering in hoofdstuk 3: `deconstruction makes the next step [in het interpretatieproces] easy but trivial. One looks mechanically in the opposite direction' (p.81). Deconstructie verkrijgt mechanisch een interpretatie, zegt Ellis hier. Waarop hij concludeert: `Deconstruction's strategy seems focused but is really random.' Om deconstructie als willekeurig af te schilderen draait hij zijn argumentatie om en noemt hij een mechanisme random -een contradictio in terminis.

Ellis' "logische consistentie" laat vooral in hoofdstuk 4 nogal te wensen over.(5) Hij omschrijft de positie van deconstructie als `There are never any good reasons for entertaining a particular interpretation' (p.104) -een correcte weergave, lijkt mij. Dit verdraait hij vervolgens tot `There are never supportive reasons for any interpretation' (ibid.), wat hij (ook correct) als absurd aanwijst. De fout zit natuurlijk in de overgang van redenen voor het kiezen van een interpretatie (boven andere) naar redenen voor het ondersteunen van een interpretatie (als zodanig). Ook Ellis beheerst de rhetorische truc van herdefiniëring.

De grootste fout van Ellis is zijn versimpeling van het deconstructieve standpunt. Hij begrijpt het adagium van `free play of meaning' uiteindelijk als `een woord/tekst betekent alles', en dus niets, voegt hij er aan toe. Het vrije spel van betekenis geeft echter aan dat de ene betekenis niet intrinsiek meer recht heeft dan een andere betekenis. De deconstructieve praktijk van omkering van bestaande interpretatie die Ellis zo laakt is dan ook niet zozeer een pleidooi voor juist die interpretatie, maar een rhetorisch middel om het "standpunt" van betekenisspel te adstrueren. Elke deconstructieve literatuurkritiek is dan ook een meta-kritiek: het gaat niet allen over die ene tekst, maar ook over betekenis, over deconstructie zelf, over alle teksten.

Voor ik nu hetzelfde doe als Ellis (het standpunt van de ander finaal de grond instampen zonder de interessante gezichtspunten ervan te doorgronden): laat mij benadrukken dat Ellis zinnigedingen zegt. Zijn waarschuwing dat de rhetorische stijl van veel "deconstructivisten" meer een show van (quasi-)intellectuele (pseudo-)capaciteiten dan een betoog voor het overwicht van rhetorika over logika is, zou door velen ter harte genomen moeten worden. Dat de revolutionariteit van deconstructie in het revolutionaire zit is zeer juist; daarom is het goed dat Ellis erop wijst dat deconstructie de laatste tijd erg gemakkelijk verzandt in het aflopen van een standaardprocedure.

Ellis' bijdrage aan het debat toont eigenlijk uitstekend hoe deconstructie nieuw leven in te blazen valt. Het wonderland van deconstructie is voor Ellis te vervreemdend om zich in thuis te voelen, zo schijnt het. Oppervlakkig gezien moet hij niets van deconstructie hebben, zo zegt hij te betogen. Zijn betoogtrant toont echter dat Ellis zich als een vis in het deconstructieve gedachtenwater voelt. Onder het mom van het opzetten van een logisch, rationeel (constructief) debat geeft hij een rhetorische verhandeling waarin hij geen van de aangevallen "logische fouten" van het deconstructivisme ongebruikt laat om zijn (destructief) betoog kracht bij te zetten. Zijn volledige afbraak van het deconstructivisme heeft immers niets meer te maken met opbouwendekritiek. Hij valt de gepriviligieerde status van deconstructie in de hedendaagse Amerikaanse `scene' aan door het demystificeren van het aura van complexiteit en diepgang dat deconstructie zich verworven heeft. Na deze destructie benadrukt hij de tegenovergestelde positie van comnonsense neopositivisme. Als een boa constructor drukt hij zo de Derridadaïsten plat om de constructieve dialoog in het centrum te plaatsen. De schijn van logische redeneertrant verhult het eminent rhetorische karakter van zijn onderneming, die overloopt van generaliseringen, overgangen van het ene in het andere uiterste, standaardprocedures, dramatische termen (absurd, triviaal, antitheoretisch) et caetera. In plaats van een verassende aanval op deconstructie levert hij zo een verrassende aanzet tot deconstructie -van zijn eigen werk wel te verstaan. Een mooi voorbeeld van deconstructie, dit werkje.

i Tegenn deconstructie (n= natuurlijke getal)

Scinditur incertum studia in contraria vulgus

Er zijn twee benaderingen mogelijk van het boek van Ellis: een "constructieve" in de stijl van Ellis en een "deconstructieve" in de stijl van (bijvoorbeeld) Hillis Miller. De eerste poogt aan te sluiten bij Ellis' kritiekpunten door die logisch te analyseren met de bedoeling tot overeenstemming te komen wat steekhoudende kritiek is en wat niet (zoiets als ik in paragraaf 1 geprobeerd heb). De tweede poogt Ellis te ondermijnen door aan te wijzen hoe hij zichzelf tegenspreekt, hoe zijn logische uitgangspunten strijdig zijn met de rhetorische opbouw van zijn betoog (zoiets als ik in paragraaf I provisorisch geprobeerd heb; aangezien ik geen deconstructivist ben valt hier ongetwijfeld veel op aan te merken).

Het kan zijn dat deze twee benaderingen overlap vertonen. Omdat de doelstellingen echter sterk verschillen (opouwende dialoog versus prolematiserende polemiek) blijven het twee autonome benaderingswijzen, die zelden tot overeenstemming zullen leiden. De canny criticus(6) voelt zich niet aangesproken door de uncanny criticus en vice versa.

Ellis' bedoeling -het scheppen van een klimaat waarin deconstructie bediscussieerd kan worden (en daarmee bedoelt hij een rationele discussie op (dialoog-)logische gronden die uitmondt in een weloverwogen oordeel pro, contra of middenweg)- is dan ook bij voorbaat gedoemd te mislukken. Hij zal zijn discussie alleen kunnen voeren in eigen kamp, met mensen die ook van dat soort discussies houden -en die zijn per definitie tegen het a-logische, rhetorische karakter van deconstructie.(7) Zijn kritiek (in feite een deconstructie van deconstructie, al wil hij die "holle term" niet gebruiken voor zijn onderneming) is voor deconstructivisten aanleiding tot deconstructie, waarop hij weer die repliek kan analyseren, hetgeen weer gedeconstrueerd kan worden enz. ad lib. (evt. ad inf.).

Het debat over deconstructie als stroming lijkt mij dan ook oeverloos. Het voor of tegen deconstructie zijn (of iets daartussen) is ook geen questie van (beredeneerd) sic et non afwegen, maar een questie van (gevoelsmatig) kiezen: het idee van beredeneerd voors en tegens afwegen gaat immers al uit van een "canny" wereldbeeld. C. Norris geeft in `Philosophy, Theory and the `Contest of Faculties': Saving Deconstructie from the Pragmatists'(8) die keuze goed aan: `What the issue comes down to at root is the choice between rival paradigms of reason, meaning and interpretation.' (p.106), waarbij het gaat om een paradigma dat alle vormen van kennis ontstaan uit een contekst van vooraannames die nooit "rationeel" verklaard kunnen worden enerzijds en een paradigma dat ervan uitgaat dat de rede uiteindelijk haar achtergrond van "motivating interests" kan begrijpen en dus kan bekritiseren en veranderen. Ter illustratie hiervan gaat hij in op de veschillen tussen Rorty, Gadamer en Lyotard aan de ene kant en Habermas en hijzelf aan de andere kant. Dat hij voor deconstructie een plaats in het tweede kamp weggelegd ziet (het bekritiseren van stereotypen en culturele zelfbeelden van een tijd `with utmost logical rigour' (p.121)) komt op mij wat vreemd over, maar doet weinig af aan het gemaakte onderscheid.

In feite zegt Rorty (uit 't andere kamp) precies hetzelfde in `Philosophy as a Kind of Writing: An Essay on Derrida'(9). Hij onderscheidt twee manieren om tegen allerlei dingen aan te kijken: één met een "verticaal" waarheidsbegrip (als directe relatie tussen representant en gerepresenteerde) en één met een "horizontale" waarheidsopvatting (als opeengestapelde herinterpretatie van de vorige herinterpretatie van de vorige...enz.). Rorty ziet Kant als de grootste apologeet (of boosdoener) van de eerste stroming en plaatst Derrida in de tweede -dialektische- stroming (zoiets als Hegel zonder teleologie). Wat Rorty beargumenteert is dat dit onderscheid eigenlijk net zo serieus is als `the issue between normal and deviant sexual pactices' (p.106), dat wil zeggen dat beide "stromingen" aanhangers hebben die gewoon verschillen van opvatting. Het onderscheid is `not unserious in the sense of unimportant. But it is not a serious issue in the sense of a debatable one, on which there is much to be said on both sides.' (pp.106/7) Het debat deconstructie - tegen deconstructie - tegen2 deconstructie -...- tegenn deconstructie (nN) zet dus geen zoden aan de dijk. De wereld der (Amerikaanse) literatuurwetenschappers is verdeeld in twee kampen (die momenteel deconstructie en antideconstructie heten) en daar blijft het bij.

Waar het om gaat is -en dat beweert Ellis impliciet ook wel- de qualiteit van de afzonderlijke literatuurkritieken die geschreven worden. Die kunnen volgens mij even goed door deconstructivisten als door "rationalisten" geschreven worden. Als een kritiek mij aanzet tot nadenken over de tekst en mijn reactie daarop, over literatuur en het lezen daarvan, dan ben ik tevreden. Ik voel dan ook veel voor Barbara Johnson's artikel `Nothing Fails Like Success' voor zover zij benadrukt dat verrassing het belangrijkste element is in literatuurkritiek. En zoals ze zelf zegt: `No methodology can be relied upon to generate surprise.' (p.15) Als deconstructivisten zich haar waarschuwing

Yet comfortable undecidability needs to be surprised by its own conservatism. My emphasis on the word surprise is designed to counter the idea that a good deconstructor must constantly put his own entrprise into question. This is true, but it is not enough. It can lead to a kind of infinite regress of demystification, in which ever more sophisticated subtleties are elaborated within an unchanging field of questions.' (p.15)

daadwerkelijk zouden aantrekken, dan zou de gemiddelde literatuurkritiek heel wat beter worden en zou ook Ellis tevreden kunnen zijn. Ik wil deconstructie in elk geval wel gelijk geven dat literatuur en literatuurkritiek op één lijn staan, in zoverre `the surprise of otherness' bij beide één van de belangrijkste voorwaarden voor qualiteit en voor æsthetische waarde is.

Mij ervan bewust zijnde dat ik in dit artikel over het debat voor en tegen deconstructie weinig verrassend andere dingen betoogd heb dan dat het bijdragen aan dat debat weinig zinvol is, sluit ik hierbij gedesillusioneerd af, met gepaste schaamte over deze tijdrovende zinledigheid.

Bibliografie

Noten

1. John M. Ellis, Against Deconstruction (Princeton UP, Princeton, 1989). Alle paginaverwijzingen zijn naar deze uitgave.

2. Barbara Johnson, `Nothing Fails Like Success', in: SCE Reports 8 (Fall 1980), p.9, herdrukt in: Barbara Johnson, A World of Difference (The John Hopkins UP, Baltimore, 1987), p.12

3. Ellis wijst erop (p.8n) dat Johnson's gebruik van een binaire oppositie in haar redevoering `in amusing contradiction' is met deze eerdere uitspraak, alsof het verwerpen van niet-tegenspraak als absoluut principe ook het verwerpen van alle voorbeelden ervan zou inhouden: een amusant voorbeeld van hoezeer Ellis denkt in binaire opposities.

4. Ellis' kritiek dat het niet mogen vervangen van een term in strijd is met het oneindige spel van betekenis is logisch onjuist: als elke term een oneindig spoor van oude conteksten met zich meedraagt, dan kun je juist niet een term vervangen zonder verlies aan betekenis.

5. Waarom geeft hij hier niet, zoals hij steeds doet, een aantal uitspraken van deconstructivisten over "alle interpretatie is misinterpretatie"? Bestaan die soms niet? Of zijn die te genuanceerd?

6. Het is evident dat Ellis met zijn rationele vooruitgangsgeloof een canny criticus is.

7. Merk op dat ik, in tegenstelling tot Ellis, het deconstructivisme wel begrijp als a-logisch; niet in de zin dat het logica als zodanig afwijst, maar in de zin dat het logica niet accepteert als aan alles voorafgaand. Deconstructie plaatst, zoals ik het zie, rhetorica (wat is de uitwerking van een argument) boven logica (hoe zit een argument in elkaar).

8. in: Rajnath (ed.), Deconstruction. A ctitique (Macmillan, Houndmills etc., 1989), pp.105-22

9. in: New Literary History (1978/79), pp. 90-109


© Bert-Jaap Koops, 1997. All rights reserved.
Last updated on 1 September 1997.


home | help | address | mail | links
research | crypto law survey | publications | amnesty | personal
literature