Bert-Jaap Koops homepage - publications

Fragment uit

DE BOER STAAT NU VOOROP

Beeldgedichten op Bruegels

'De val van Icarus'

Scriptie Algemene Literatuurwetenschap

© Bert-Jaap Koops, Februari 1992

Judith Herzberg

[boer]

In de bundel Botshol (1980) van Judith Herzberg staan drie gedichten getiteld 'De boer', 'De zeeman' en 'De visser'. Er is geen expliciete verwijzing naar Bruegels 'De val van Icarus', maar 'De boer' en 'De visser' zijn duidelijk te relateren aan het schilderij. 'De zeeman' kan, door de plaatsing tussen deze twee gedichten, ook in dit licht gelezen worden. Ik bespreek eerst de gedichten afzonderlijk en vervolgens bekijk ik hoe ze gezamenlijk een reactie vormen op Bruegels schilderij.

DE BOER
Het ergste is als alles blijft zoals het is.
Ik wil en kan niet ingrijpen ik wil
naar huis, de koeien melken, eten
en vergeten wat ik zag. Het ergste is
dat dit tumult als op een schilderij -
dat deze val, van wat?
van nacht nu bijna al
mij in één houding vat.
Mijn ploeg loopt vast,
het blijft mij bij
ik schud het nooit meer af.
Het ergste is als zelfs vergaan
al stilgeschilderd is.

Het gedicht opent met een algemene stellingname, die de toon van het geheel zet: een afkeer van stagnatie, een voorkeur voor voortgang. Het lyrisch subject -de boer uit de titel- kan niet ingrijpen; of hij dat wil is dubbelzinnig: de tweede regel kan zowel gelezen worden als 'ik wil wel maar kan niet' alsook als 'ik wil niet en kan niet'. Hij wil weg (van het hier van het gedicht), naar huis, en verder gaan met het leven van alledag. Waarin de boer niet kan ingrijpen heeft waarschjnlijk te maken met het 'tumult' en de 'val', die echter beide niet nader aangeduid worden. De toevoeging 'als op een schilderij' aan 'dit tumult' onderdrukt de associatie van lawaai en roept associaties op van veel mensen en opschudding. De boer vraagt zichzelf af waarvan er een val plaatsvindt; het antwoord 'van nacht nu bijna al' haalt het idee van een fysieke val of van een list onderuit en stelt daar het vallen van de nacht voor in de plaats. De gebeurtenis waarin de boer niet kan ingrijpen vat hem 'in één houding', een voorbeeld van de stagnatie en verstarring die hij het meest verafschuwt.

De ploeg loopt vast: de bezigheid van de boer komt tot stilstand, waarop de boer constateert dat dit moment en deze gebeurtenis hem voor altijd zullen bijblijven: een traumatische ervaring die hij levenslang als last moet meedragen. De gebeurtenis heeft te maken met 'vergaan', een proces van verandering, waarvan het moment tussen zijn en niet-zijn voor altijd voortduurt: het proces is stopgezet.

Het ergste voor de boer is als het proces van vergaan stopt, als alles blijft zoals het is. Hij wil graag een organische voortgang in de wereld, een continu proces van groei, bloei en verval. Niet het vergaan zelf maar het verstarren van het vergaan, dat wil zeggen het vereeuwigen van het proces van vernietiging, is afschuwelijk. De boer propageert een cyclische voortgang van het leven, waarin hij elke dag zijn werk doet zonder te hoeven letten op het afsterven van de dingen om hem heen.

Deze interpretatie van het gedicht op zichzelf blijft vrij algemeen; het is niet duidelijk wat de boer gezien heeft en waar het tumult om draait. Wanneer men het eenmaal beschouwt als een beeldgedicht op 'De val van Icarus' zijn er meer mogelijkheden voor interpretatie. De verwijzingen naar schilderen (regel 5 en 13) en de verstarde houding van de boer zijn aanleiding om het gedicht als beeldgedicht te lezen, waarbij een vergelijking met 'De val van Icarus' veel kan verduidelijken. Zo is de verstarring in één houding moeilijk te plaatsen zonder aan het schilderij te denken, waar de boer in één positie gefixeerd is. De val -van wat?- slaat op de val van Ikaros, waar de boer zich al dan niet van bewust is.

Men kan het beeldgedicht op een aantal manieren lezen. De boer heeft Ikaros zien vallen, wil dit vergeten en doorgaan met zijn ploegen, maar hij raakt het beeld niet kwijt en blijft verlamd steken in zijn ploeghouding. Het beeld is stilgeschilderd voor zijn geestesoog en hij realiseert zich dat het beeld van de dood van Ikaros hem niet meer los zal laten. Hij probeert het te ontkennen (het beeld is als een schilderij, dus niet echt; de val is niet van Ikaros maar van de nacht), maar het besef van wat hij gezien heeft is sterker: het blijft hem bij. Deze lezing geeft een interpretatie aan Bruegels werk van de boer die wel weet van Ikaros' tragiek, maar haar wil vergeten om verder te kunnen leven; hij wil wel maar kan niet ingrijpen. De mens is gedoemd met de dood voor ogen te leven.

Het kan echter ook zijn dat de boer geen weet heeft van Ikaros' val. Hij heeft iets gezien (Daidalos en Ikaros als goden vliegend?), merkt tumult en een val, maar weet niet waarvan. Hij wil doorgaan met zijn werk en niet afgeleid worden door zaken die hem niet aangaan; hij wordt echter gedwongen stil te staan bij de katastrofe. Een dergelijke lezing houdt dus een verwijt in aan de boer dat hij zich afkeert en gaat in tegen de in hoofdstuk 2 genoemde interpretatie 2 ('mens is nietig in overheersende natuur').

Er zit ook een speels element in het beeldgedicht: het tumult 'als op een schilderij' wekt de indruk dat het niet op een schilderij plaatsvindt, terwijl het gedicht als geheel uit de mond van de boer opgetekend is. De boer lijkt zich tegenover de schider te beklagen dat hij niet gewoon door mag gaan met zijn werk nadat hij ze heeft zien vliegen, maar dat hij zonodig stil moet blijven staan om voor altijd geassocieerd te worden met de val van Ikaros. Het tumult om de katastrofe (de toeschouwers die zich opwinden over zijn houding?) achtervolgt hem voor altijd en hij mag nooit meer naar huis. Dit zinspelen op kategorieverschillen van Herzberg (weet de boer nu dat hij een personage op een schilderij is of niet?) versterkt de serieuze toon van het gedicht: het vergaan is stilgeschilderd door Bruegel en dat laat de boer niet meer los. Het afgrijzen van de boer dat hij niet kan ingrijpen is vergelijkbaar met de verwondering van de beschouwer dat Ikaros zomaar dood gaat, dat er niet iemand (Bruegel, de beschouwer) ingrijpt om op zijn minst de tragiek van Ikaros groots af te beelden.

Maar het gedicht is zelf ook 'stilgeschilderd'. Het heeft zo'n hechte structuur dat er van ontwikkeling geen sprake lijkt te zijn en alles op zijn plaats blijft. De opbouw is sterk symmetrisch: er zijn vijf delen te onderscheiden, namelijk r. 1 een generalis, rr. 2/4 een situatieschets, rr. 5/8 toepassing van de generalis op de situatie, rr.9/11 dezelfde situatie (anders geformuleerd) en rr.12/13 dezelfde generalis (anders geformuleerd). De vele sibilanten en i-klanken in r. 1 en rr.12/13 versterken hun kaderfunctie. De symmetrie keert terug in sommige regels: 'is als'...'als is' (r.1), 'ik wil'...'ik wil' (r.2), 'en vergeten wat ik zag. Het ergste is' (r.4), 'Het ergste is als zelfs vergaan'(r.12). Ook zijn omkeringen aan te wijzen:

4 vergeten...Het ergste is
12 Het ergste is....vergaan

5 dat dit...een schilderij
8 mij in één houding vat.

Gezien de tijdsbeleving van de boer (een eeuwigdurend moment) lijkt het ook geen toeval dat 'nu' (r.7) de centrale plaats in het beeldgedicht inneemt.

Het metrum, de assonantie en alliteratie versterken de hechtheid van het gedicht. Het metrum is overwegend jambisch; het wijkt hiervan slechts op enkele plaatsen af om de betekenis kracht bij te zetten: r.2 'en kan niet ingrijpen' dramatiseert het onvermogen; r.8 'mij in één houding vat' verwijst naar het fixeren; r.10 'het blijft mij bij' en r.11 'ik schud het nooit meer af' geven de lengte aan van het altijd bijblijven. Verder stokt het metrum nergens, waardoor het gedicht een hechtere samenhang vertoont dan de andere twee gedichten. Verdere samenhang ontstaat door veel klankherhaling (ì in rr.1/2 en rr.12/13, è-e en é-e in rr.3/5, à in rr.4/7, ij in rr.7/10, stilgeschilderd) en woordherhaling (eten en vergeten; dat dit.../dat deze; van wat?/van nacht; mij...vat./Mijn...vast).

Dit alles heeft tot gevolg dat het gedicht zelf verstart tot een patroon, waardoor het protest van de boer tegen verstarring als utopie ontmaskerd wordt. 'De boer' leest 'De val van Icarus' als de onmogelijkheid van het zich afwenden van de katastrofe: de boer zal nooit vergeten wat hij zag, omdat hij in één houding gevat is. Bruegel heeft de vergeefse poging van Ikaros het hogere te bereiken voor altijd stilgeschilderd; evenzo heeft Herzberg de vergeefse poging van de boer naar huis te gaan (van het schilderij af te komen) voor altijd vastgedicht.

DE ZEEMAN
Mijn vrouw, die met haar armen hoog,
haar benen wijd, rok over rok en juichend
op het uiteinde van de pier zou moeten staan!
Door al het wachten is het juichen haar vergaan,
droog zit ze op haar strozak straks, droog
kijkt ze me aan.
Soms duurt het dagen voor ze op wil staan.
Ik geef haar eten, drinken, zoete vijgen
mijn eigen hevigheden houd ik in.
Dan komt het wonderbaarlijk smelten
dan gaat zij weer bewegen -lente!-
rennen, vult zij de emmers.
O Heilige Maria, juist is zij zacht, juist
rusten wij, armen en benen om elkaar
vaar ik weer uit.

Als dit gedicht niet ingebed was tussen 'De boer' en 'De visser' en een analoge -generische- titel had, zou men het gedicht niet in verband brengen met het schilderij. Door de plaatsing echter is de lezer zich bewust van het beeldgedichtkarakter van 'De zeeman' en is hij geneigd het lyrisch subject te identificeren met de zeeman op het schilderij (waarschijnlijk de man in het want, die van de vijf zichtbare zeelui het duidelijkst te onderscheiden is). Hier speelt Herzberg dan ook weer met het vereeuwigende aspect van de schilderkunst. Het schip is op weg naar de haven, waar naar men zou verwachten de vrouw juichend haar man staat op te wachten. Het schip is echter stilgeschilderd en komt nooit aan, waardoor de vrouw (met een kategoriesprong) het wachten beu is geworden en verbolgen afstand heeft genomen tot de zeeman. De zeeman is zich in het gedicht niet bewust van Ikaros of van enig ander element op het schilderij en houdt zich alleen maar bezig met zijn eigen werksituatie van jaar in jaar uit thuiskomen en uitvaren. Een interpretatie van 'De val van Icarus' levert 'De zeeman' dan ook niet op (laat staan een ekphrasis); alleen in samenhang met de andere gedichten levert het commentaar op Bruegels werk.

DE VISSER
Er is verslaving in mijn staren
zodra ik uitgooi komt in mij
het woelen en het zoeken tot bedaren
mijn oog rust op de dobber, maar het is meer
dan rusten, het is alsof ik eindelijk
vrij ben op één plek te blijven,
en zo verstijft mijn blik - ik wacht niet
op het bijten van een vis - ik lijm
het ogenblik. Ik hoef niets hoef niet
te kijken. Bepaal mij tot de rimpelingen
bemoei mij niet in diepte door te dringen.
Los van wat boven of wat onder mij
verschijnt, verdwijnt, los van wat was
en los van wat nog te gebeuren staat.
De gladde kleuren die het vlakbij water glanst
zijn mij al veel te veel gebeuren
en kijk daar komt de eerste ring
van één of ander verre dompeling.
Wat kan ik beter doen dan niets,
dan niet bewegen. Zelfs het geringste
opslaan van een oog haalt onherstelbaar
overhoop en brengt teweeg en brengt teweeg.

De visser zoekt rust in zijn vissen. Zijn onrust (woelen en zoeken) komt tot bedaren en hij verstilt tot een stoïsch nietsdoen: hij mag blijven waar hij is en hoeft niets meer te doen. Zelfs zijn bezigheid -vissen- beperkt zich tot het staren naar de oppervlakte: van hem hoeft de vis niet te bijten. Hij lijmt de ogenblikken aan elkaar door het lijmen van zijn ogen-blik op één punt (de dobber), dat los staat van zijn "bezigheid". Hierdoor maakt hij zich, zowel in ruimte als in tijd, los van zijn omgeving (hij bereikt hier bijna een toestand van ataraxia -zelfs kleuren -het aanzien van de dingen- zijn hem al te veel "gebeuren"). Van wat er verderop in het water gebeurt merkt hij alleen de rimpelingen aan de oppervlakte die hem bereiken. De oorzaak ervan (boven of onder, verschijnen of verdwijnen) gaat hem niet aan: hij wil alleen maar nietsdoen, want als hij zou opkijken en zou zien wat er gebeurde zou dat het begin zijn van een kettingreactie van voortdurende oorzaak-gevolg-relaties. Zolang hij niet opkijkt -en hij hoeft niet op te kijken als hij vist- kan alles blijven zoals het is: een eeuwigdurend staren naar de dobber. De visser sluit zich geheel af van zijn omgeving.

De toestand van (eeuwigdurende) stilstand die de visser wil bereiken om zich los te maken van zijn omgeving komt in de taal zelf bepaald niet tot stand. De woorden kabbelen gestaag voort in hun overwegend jambische metrum. De korte klinkers van de rust en de rimpelingen (evenals in 'De boer' komen ook hier veel ij-klanken voor waar het verstarring betreft ('verstijft mijn blik')) liggen ingebed in de lange klinkers van het zoeken, de diepte en het overhoop halen van begin en eind van het gedicht. De weinige herhalingen fixeren het gedicht niet (zoals in 'De boer'), maar geven eerder een soort doorstromen aan: de rimpeling wordt een ring van dompeling; 'hoef niets hoef niet/te kijken' schuift op naar 'dan niets,/dan niet bewegen'. Een verstilde symmetrie wordt nog wel bereikt in een regel als 'vrij ben op één plek te blijven', maar het gedicht eindigt met het allesoverheersende voortbewegen van de laatste regel (die lijkt op de zich steeds uitbreidende kringen rond de dompeling).

'De visser' laat zich lezen als een apologie van de visser, die zijn inertie probeert te rechtvaardigen. Hij lijkt zich angstvalig te willen verdedigen tegenover iemand die hem vraagt waarom hij niet opkijkt naar de oorzaak van de rimpeling. De lezer voelt nattigheid en vraagt zich af waarom het 'opslaan van een oog' zo desastreus zou zijn. Het antwoord ligt natuurlijk in het beeldgedichtkarakter van het gedicht: als de visser zou zien hoe Ikaros valt en sterft zou hij een reddingspoging moeten doen, vertellen wat hij gezien heeft en verder leven met steeds dit beeld voor ogen. Waarschijnlijk heeft de visser zelfs wel iets zien vallen (uit een ooghoek): zijn formulering 'Los van wat boven of wat onder mij/ verschijnt, verdwijnt' duidt onmiskenbaar op een vallen en ondergaan in water. Hij schuift het van zich af ('één of ander verre dompeling') en probeert dat goed te praten ('Wat kan ik beter doen dan niets'). Het is maar de vraag of hij de lezer overtuigt; tussen de regels door, en in de contekst van het schilderij, leest men een afkeuring van het a-sociale gedrag van de visser die niets wil weten van de oorzaak (Ikaros) en alleen het gevolg (rimpelingen) aan zich voorbij laat trekken.

'De visser' is dan ook een tegenhanger van 'De boer'. 'De boer' is een star patroon van klank en herhaling, terwijl in 'De visser' de klanken losjes samenhangen. Waar de visser wil fixeren om de beweging die plaatsvindt niet te hoeven opmerken, wil de boer bewegen om de fixatie die plaatsvindt te kunnen vergeten.

Het drietal gedichten van Herzberg levert een boeiende ekphrasis op van Bruegel's 'De val van Icarus'. De gedichten geven een visie op het tijdsverloop in het schilderij, interpreteren de houding van de personages ten opzichte van Ikaros en gaan enigszins speels om met het genre beeldgedicht.

Herzberg geeft geen beschrijving van het schilderij, maar door het uitlichten van drie personages geeft ze wel een lezing van het doek van links naar rechts (boer, schip, visser). Het middengedeelte is het meest speels en heeft het minst met het onderwerp 'De val van Icarus' van doen; de nadruk binnen het drietal ligt op de contrasterende hoekdelen van boer en visser. Dit lijkt mij een weergave van het centrum-periferie conflict van Bruegels werk, dat zich concentreert in de delen links (boer) en rechts (Ikaros, nabij de visser).

Het tijdsverloop dat uit de gedichten naar voren komt is een tegenstelling tussen cyclische voortgang en "eeuwigdurend" moment. De boer wil zijn leven van alledag leiden zonder weet te hoeven hebben van ingrijpende gebeurtenissen (cyclisch tijdsbesef), maar wordt geconfronteerd met een katastrofale gebeurtenis die hem voor altijd bijblijft (eeuwig moment). De zeeman heeft ook een cyclisch tijdsbesef, waarbij hij het betreurt dat de periodes niet goed op elkaar aansluiten; hij verlangt eigenlijk naar dat eeuwige moment van innig samenzijn met zijn vrouw. De visser daarentegen onderkent het continue voortstromen van de tijd (als oneindige keten van oorzaak-gevolg-relaties), maar wil juist die stroom fixeren tot een toestand waarin niets gebeurt. Het schilderij wordt dus gezien als een tegenstelling tussen duur en moment, cyclisch en lineair tijdsbesef (zie hoofdstuk 1). Het idee van 'pregnant moment' (beweging in stilstand) is ook verwerkt in de gedichten, waar de beweging van de boer gefixeerd is en de stilstand van de visser verstoord wordt door de stromende ringen van Ikaros' val.

In de gedichten ligt de meeste nadruk op de houding van de personages ten opzichte van de gebeurtenis (Ikaros' val). Zoals in het schilderij boer, herder en visser niet naar Ikaros omzien (maar zelfs uit het schilderij kijken), zo wenden boer, zeeman en visser zich van Ikaros af. Ook in de gedichten komt niet expliciet naar voren in hoeverre de personages zich bewust zijn van wat er zich afspeelt. De boer wil vergeten wat hij zag, maar wàt hij zag blijft in het midden. Het kan onverschilligheid zijn dat hij naar huis wil, maar het kan ook door het verlammend gevoel om het menselijk tekort komen dat hij wil noch kan ingrijpen. De houding van de boer is dubbelzinnig. De houding van de visser lijkt minder te verontschuldigen: zijn vermoeden van 'één of ander verre dompeling' lijkt een pathetische leugen met het oog op het schilderij en zijn obsessieve drang niets te hoeven doen wordt erg wrang in de contekst van het schilderij. De gedichten roepen als beeldgedichten de vraag op in hoeverre een mens verantwoordelijkheid moet nemen voor wat er in zijn omgeving gebeurt en in hoeverre hij zich mag beperken tot zijn eigen haard. Dit lijken dan ook de centrale vragen te zijn die het drietal gedichten aan 'De val van Icarus' toekent: waarom keren de personages zich af van Ikaros en mogen ze dat doen? Het is niet uit de gedichten zelf maar uit de wisselwerking tussen gedichten en schilderij dat deze vragen zich opdringen. De gedichten zijn dus niet in eerste instantie een weergave van het schilderij, maar eerder een commentaar erop, waarbij de lezer aangespoord wordt nog eens het schilderij te bekijken met in het achterhoofd de stemmen van de personages.

Ik kan mij ook niet aan de indruk onttrekken dat de personages zich er enigermate van bewust zijn dat ze gevangen zitten in een schilderij waarop één of andere val of dompeling plaatsvindt. De boer en de zeeman willen naar huis; ze blijven echter in hun houding gevat. De kategorieën van personage in de gesuggereerde beeldruimte en figuur in het beeldvlak lopen enigszins door elkaar in het lyrisch subject van de gedichten: ze staan eeuwig stil, terwijl ze hun gedachten en gevoelens uitspreken. Herzberg laat hen wel spreken, maar niet bewegen. Zo sluit ze aan bij de klassieke traditie van het ekphrastische epigram, waar het bedichte standbeeld vanuit zijn functie als vereeuwigd persoon de beschouwer toespreekt.


© Bert-Jaap Koops, 1997. All rights reserved.
Last updated on 1 September 1997.


home | help | address | mail | links
research | crypto law survey | publications | amnesty | personal
literature